Onbekend's avatar

Samenvallen met de cosmos

Verschenen in Bres Magazine, mei 2023

Angst is de kloof tussen het nu en het later – Fritz Perls

De toestand in mijn hoofd was een ramp. Er spookten allerlei gedachten rond met betrekking tot mijn gebruikelijke zorgen: wonen, relaties, gezondheid, werk. Maar vooral het woonprobleem voerde dit keer de boventoon. Het was vijf uur ‘s ochtends en ik kon de slaap niet meer vatten, terwijl ik daar normaal geen enkele moeite mee heb. ‘Wat moet ik nou met die geluidsoverlast van de buren?’ ‘Wil ik hier überhaupt nog wel blijven wonen?’ ‘Waar wil ik nu écht wonen?’ Dat soort vragen, misschien herkent u ze, misschien niet. Voor hetzelfde geld was het trouwens een ander probleem geweest die nacht. Maar het soort vragen bij elk probleem is meestal hetzelfde. Vooral vragen die beginnen met wat, wie, waar, en natuurlijk waarom, de meest nutteloze van allemaal. De onderliggende oorzaak van al die vragen: angst.

Zulke gedachten gaan (bij mij in ieder geval) vaak gepaard met spanning in mijn buik, oppervlakkig ademen, spierspanning, druk op mijn borst. Als je vaker in zo’n ‘in jezelf vastdraaiende’ cirkel terecht komt, kun je ook nog andere verschijnselen verwachten: steken, kramp, verlamming, moedeloosheid, depressie en nog erger. Dat is wat zulke gedachten doen: een reflectie creëren in het lichaam, zodat de lichamelijke toestand overeenstemt met de psychische toestand. Dat kan niet anders, lichaam en geest zijn immers verbonden. De toestand in mijn lijf was dus ook een ramp. Nog meer gedachten: ‘waar voel ik me nu echt thúis?’ ‘Ik zie op tegen een verhuizing en al het gedoe eromheen.’ Ja, ga nog even lekker een keer! Dat is ook een gedachte trouwens. Inmiddels lag ik daar, kortademig en bijna totaal verkrampt. Je zou er zowat MS-achtige klachten van krijgen. Ow, weer zo’n gedachte! Enzovoorts, enzovoorts.

Hier nog wat extra tips voor de doe-het-zelver, die ook bovenstaande ramptoestand wil creëren: wanneer je dus midden in de nacht wakker wordt (of gewoon overdag, liefst wanneer het je het slechtste uitkomt), moet je aan hetgene gaan denken wat jou de meeste kopzorgen bezorgt. Als je dat onderwerp gevonden hebt (meestal hoef je niet ver te zoeken), ga dan jezelf vragen stellen waar je van weet dat je er toch zo één, twee, drie geen antwoord op kunt vinden (bijvoorbeeld de vragen van hierboven). Hoe vager en ruimer, hoe beter. Niet richten op kleine stappen die je eventueel zou kunnen zetten, maar juist denken aan hoe ver het bedachte einddoel af ligt van waar je nu bent. Angst is immers de kloof tussen het ‘nu’ en het ‘later’. Daarmee garandeer je voor jezelf dat het afgescheiden ‘ikje’, de ‘mind’ zich heerlijk in de hele toestand vast kan bijten en dat je over pakweg 1 à 2 uur nog steeds wakker ligt, als het goed is nog angstiger dan je al was. Je moet vooral niet teveel bewegen, maar stokstijf blijven liggen en je adem zoveel mogelijk vasthouden. Op alles wat je waarneemt om je heen, moet je je eigen gespannenheid en vervreemding projecteren, zodat het lijkt alsof de hele wereld een vijandige en akelige plek is. Verder moet je jezelf op je kop geven als er nog meer gedachten opkomen. Zeg dan tegen jezelf iets in de trant van: ‘het lukt mij ook nooit om ergens duidelijkheid over te krijgen!’ Gegarandeerd dat er daarna nog wat meer gedachten en bijpassende gevoelens van kramp, spanning, angst en zelfafwijzing opkomen.   

Even zonder gekheid: door heel helder in te zien wat je doet en hoe je die dingen doet die je in de bekende vicieuze cirkel doen belanden, wordt de kans een stuk kleiner dat je er de volgende keer weer met je volle verstand en met open ogen in trapt. Wat ik hierboven beschrijf is een vorm van radicaal zelfonderzoek, waarbij je je helemaal niet druk hoeft te maken over wat je zou willen, maar juist heel scherp in kaart brengt hoe je jezelf in de nesten werkt. Wanneer dat gezien wordt en daarmee dat mechanisme uit elkaar begint te vallen, ontstaat er vanzelf de helderheid van waaruit nieuwe oplossingen worden gezien. Je komt vanzelf uit bij je intuïtie. Of anders gezegd: doordat je ziet hoe je in gedachten en gevoelsmatig voortdurend weg zit te bewegen van wat er al is, kan dat mechanisme stilvallen. Wanneer dat stilvallen gebeurt, is wat er overblijft intuïtie, die voortkomt uit dat wat is. En intuïtie is niet van iemand, maar komt slechts door je heen wanneer het ‘ikje’ niet meer in de weg zit.

Nu weer even terug naar die bewuste (of eerder onbewuste) nacht. Ik had dus zoiets gedaan als het bovenstaande recept in elkaar gezet. Tevens kwam er een metaforisch beeld bij me op: ik woon te klein. Er is hier, waar ik woon, te weinig ruimte voor wat er eigenlijk allemaal in zou moeten passen. Of misschien heb ik gewoon teveel spullen, dat kan ook. Hoe het ook zij, ik ervaar in ieder geval grenzen aan dit huis, grenzen die te dicht bij liggen, ik stuit maar al te snel op een muur of een deur. Niet alleen woon ik te klein, ik woon ook nog eens niet comfortabel. Niet alles functioneert goed. Sommige deuren gaan niet goed open en dicht. De muren zijn wel goed geschilderd en met mooie dingen behangen, maar toch ervaar ik niet dat ik me hier thuis voel. Hoe komt dat nou toch?

Wat zich allemaal in mijn hoofd en lijf afspeelde, voelde dus duidelijk beklemmend. Ik voelde me niet thuis in mijn eigen energie; mijn innerlijke belevingswereld voelde te klein. Logisch, want het ‘ikje’ meet zichzelf beperkingen aan. Ik had het gevoel geen ruimte te kunnen geven aan bepaalde gevoelens (mijn ‘spullen’), geen connectie te ervaren tussen bepaalde delen van mijn lichaam (omdat er deuren of muren tussen lijken te zitten, oftewel weerstand). Mijn hoofd en mijn lijf als een versplinterde toestand, met onderdelen all over the place. Mijn ademhaling ging heel moeizaam. De energie stroomde niet zoals ik wist dat die kán stromen.

Totdat er iets losliet en iets anders mij uit zichzelf begon te doordringen. De spanning in mijn lijf veranderde geleidelijk aan van paniekerig naar aangenaam. Ik voelde de energie naar mijn benen stromen. Met die benen kan ik me verplaatsen, met mijn voeten maak ik contact met de grond. Mijn ademhaling begon dieper naar mijn buik te zakken, vanzelf, niet omdat ik die probeerde te dwingen. Er kwam nu een ander beeld bij me op van een huis met een aantal etages. Eén hoog verticaal gebouw, wat niet op zichzelf staat, maar verbonden is met andere huizen. Het wordt gedragen door vaste stevige grond en staat aan de bovenkant in verbinding met de eindeloze hemel. Een verticaal gebeuren in een horizontale wereld. Niet los van de wereld, maar er toch vrij van. ‘In de wereld maar niet van de wereld’.

Ik voelde nu de energie ontspannen door mijn hele lichaam stromen, terwijl een innerlijke stem leek te zeggen: ‘je lijf is je huis. Je bent op zoek naar een thuis ergens in de buitenwereld, maar nu zie je dat die thuisplek geen fysieke plek ergens in de wereld is, maar simpelweg het gewaarzijn van je innerlijke lichaam, de ademhaling, de energie.’ En natuurlijk is die energie niet beperkt tot het ogenschijnlijk fysieke lichaam. Want als ik zo die energie voel bewegen, zogezegd op deze plaats, ontdek ik dat die niet op een bepaalde plaats in de ruimte is, maar de ruimte zélf is, ruimtelijkheid. Het innerlijke lichaam verbindt me, krom gezegd, met het universum. Sterker nog, het innerlijke lichaam ís het universum. Een innerlijk samenvallen met de kosmos, met het leven. Niet voor niks zijn de woorden ‘lijf’ en ‘life’ bijna identiek aan elkaar. Door naar binnen te gaan, word je tegelijk naar buiten gebracht. Inderdaad, paradoxaal. Op natuurlijke en spontane manier ervaar je weer de ontspannen verbondenheid met de wereld. Door angstig en behoeftig naar buiten gericht te zijn, kom je juist gevangen te zitten in je eigen bubbel, je eigen projecties en verwachtingen, je zelfobsessie. Je kunt ervaren hoe je energie naar buiten verdwijnt wanneer je loopt te tobben over iets. Die levensenergie beweegt mee met je projecties, wordt er als het ware door gekaapt. Door te zien hoe dat gebeurt, kan die energie weer terug naar binnen keren, waar tegelijk dus ook de natuurlijke verbinding met ‘de buitenwereld’ zich bevindt. Ik ga voorbij tijd en ruimte wanneer ik diep mijn lichaam in gebracht word. De projecties lossen op en ook de vraag ‘waar wil ik nu echt wonen?’ lost op. ‘Waar voel ik me nu echt thuis?’ wordt een absurde vraag vanuit deze innerlijke beleving van overal-en-nergens zijn.

Zo lag ik daar een uur of twee voordat ik uit bed kwam. Ik heb me de hele dag niet druk gemaakt over wel of niet verhuizen. Die vraag zorgt wel voor zichzelf. In plaats van me druk gemaakt over verhuizen in de toekomst, ben ik terplekke verhuisd, naar binnen. En tegelijk naar buiten. Want: ‘zo binnen, zo buiten’. Overal en nergens. Een verhuizen op de plaats, als het ware. Verhuizen zonder fysiek te verhuizen. Geen noodzaak meer om te verhuizen, in ieder geval niet met de illusie om ergens anders gelukkiger te worden dan hier. Verhuizen zal gebeuren hoe dan ook, maar dan zonder al dat gepieker en getob. © Ludo de Jongh

Plaats een reactie