Verschenen in Bres Magazine, november 2024
In het bekende leven is gevangenschap, in het onbekende leven is bevrijding – Nisargadatta Maharaj

In mijn vroege kinderjaren had ik het gevoel dat ik in complete vrijheid leefde. Dat is natuurlijk niet zo heel spectaculair, volgens mij geldt dat voor de meeste kinderen. Ik deed alle dingen die kleine kinderen doen: spelen, hutten bouwen in het bos, kattekwaad uithalen, alles nog heel onschuldig en ongeremd. Het dorp waar we woonden en de bossen, velden en sloten eromheen, was één grote speeltuin. Ik doorliep met groot succes de twee jaar kleuterschool. De zomer erna was fantastisch, we gingen voor het eerst met het gezin op vakantie, naar Luxemburg. De speeltuin bleek nog veel groter dan alleen de regio waar we woonden. Ik herinner me een gevoel van betovering, van magie bijna en van een intiem contact met alles om me heen. Er was een besef van tijdloosheid, alles voelde zo nieuw en oorspronkelijk. Ik kon bijvoorbeeld helemaal betoverd zijn door een kruisspin op een tuinheg in de ochtenddauw. Een kinderhand is gauw gevuld. Maar voordat ik nu mijn hele levensverhaal hier neer ga pennen…
Na die zomer ging ik naar de basisschool, zoals elk kind op die leeftijd. Ik herinner me nog dat ik me de ochtend van de eerste schooldag vreselijk verdrietig en gespannen voelde. Ik had helemaal geen zin om naar die ‘echte’ school te gaan. School, dat klonk als een gevangenis of iets dergelijks. Uiteindelijk viel die eerste dag wel mee, en ik bleek gaandeweg ook best redelijk te kunnen leren. Maar als ik erop terugkijk, gebeurde er iets fundamenteels op die eerste schooldag: ik liet de wereld van verwondering en kinderlijk enthousiasme achter me. Niet meteen definitief, want ik bleef zeker nog lange tijd kind in die zin, maar het was absoluut een soort omslagpunt. De onbevangenheid die zo vertrouwd was geweest, zou over de jaren heen geleidelijk aan vervangen worden door weten, kennis en doelen. Dat alles schijnbaar gericht op het hebben van persoonlijk succes en grip op het leven. Ik denk dat ik dat onbewust aanvoelde op die dag, alhoewel ik er op die leeftijd natuurlijk nog geen woorden voor had. Van leven in de vrijheid van het onbekende, in niet-weten, werd het steeds meer leven in de gevangenis van het bekende, het weten. Een schijnbare transitie, heel treffend beschreven door J. Krishnamurti: ‘wanneer je het kind de naam van de vogel leert, ziet het kind die vogel nooit meer’. Vanaf die tijd vervaagde langzaam maar zeker de perceptie die ik had van alles, puur zoals alles is. Wat ervoor in de plaats kwam, waren de namen en woorden die we aan dingen geven en die ik vanaf die tijd ook allemaal begon te leren. De levendigheid van alle dingen, daar kwam op die manier een laagje van concepten en labels overheen te liggen. En met name ontstond er een sterke zelfdefiniëring, een gevoel van een afgescheiden ‘ik’, die daarvóór nog helemaal niet zo aanwezig was geweest.
De heelheid van niet-weten had tot die tijd heerlijk en bekend gevoeld. De wereld van kennen en weten was nog onbekend en daar had ik ook een enorme angst voor, die ik die ochtend voelde. Gaandeweg, naarmate ik meer kennis opdeed, raakte ik steeds meer het contact kwijt met de oorspronkelijke heelheid. Want kennis vernauwt de werkelijkheid tot een afgeleide versie ervan, die slechts hooguit een slap aftreksel is van die ongedeelde werkelijkheid. Stel je voor dat je in een levendige stad leeft, vervolgens een plattegrond van die stad krijgt en na verloop van tijd die plattegrond gaat beschouwen alsof het de stad zelf is. Dat is misschien een wat simplistische en overdreven vergelijking, maar kennis legt een soort sluier over de werkelijkheid heen. Het intieme contact met het leven zoals het zich vanzelf ontvouwt, wordt langzamerhand vervangen door een subject-object verhouding met alles: ‘hier ben ik en daar is de wereld. Ik moet zorgen dat ik me kan redden in die wereld, dat ik controle krijg over het leven. Het is mijn leven en ik moet zorgen dat dat leven ‘werkt’, dat het een succes wordt’. Dat is kort gezegd het verhaal wat vervolgens het leven drijft en bepaalt.
Die houding van abstractie ten opzichte van het leven brengt het idee van tijd met zich mee, verleden en toekomst. ‘Dit is waar ik vandaan kom en dat is waar ik heen moet’. Met dat begrip van tijd komen ook de ideeën van verwachting, hoop, weerstand en angst. Die ideeën kunnen ook alleen ontstaan wanneer onbevangen leven in tijdloosheid vervangen wordt door tijd, wanneer leven in het eeuwige nu vervangen wordt door een leven op de tijdlijn van verleden en toekomst. Van een ‘verticale’ nu-heid, naar een horizontaal ‘traject’. Nisargadatta vatte het mooi samen: ‘je hebt jezelf opgesloten in tijd en ruimte, je hebt jezelf in de jaren van een leven geperst en in de afmetingen van een lichaam, en zo heb je ontelbare conflicten geschapen van dood en leven, pijn en genot, angst en hoop’. Dat is natuurlijk geen rationeel proces: een kind denkt niet op een goed moment: ‘ik ga deze tijdloze realiteit eens inruilen voor een denkbeeldige beleving van verleden en toekomst. Ik ga dit spannende en levendige nu waarin elke keer weer iets nieuws verschijnt eens vervangen door een abstracte tijdsgebonden beleving’. Een klein kind begrijpt natuurlijk rationeel niet dat er iets verandert, maar emotioneel wordt die verandering wel ervaren. Het kind heeft er alleen de taal nog niet voor en dat is nou net waarom het kind nog in relatieve eenheid leeft. Want grappig genoeg komt ook vooral taal in de weg te staan van de directe, onmiddellijke beleving. Weten, kennis, tijd, taal en het ik zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Ik’ en ‘mijn verhaal’ (op een tijdlijn) zijn één en hetzelfde.
Wanneer het kennen eenmaal vertrouwd is geworden, dan zit het kind opgesloten in (zelf)kennis, weten en anticiperen op wat er komen gaat. Tegelijkertijd ontstaat daarmee het gevoel niet compleet te zijn en het verlangen naar compensatie voor dat gevoel van incompleetheid. Het kind word volwassen en de zoektocht begint naar dingen in de wereld die die compensatie wellicht kunnen bieden: carrière, geld, relaties, status, macht, huis, auto, spullen, reizen. Maar ook een perfect uiterlijk, optimale gezondheid, een sterker en gezonder ego, innerlijke vrede of zelfs spirituele verlichting, zonder te weten wat dat is natuurlijk (want het ‘ik’ wil dat verlichting voor hemzelf is). Niet dat er iets mis is met al die dingen an sich, maar wanneer ik er vervulling (of mezelf) in zoek, dan zal ik ongetwijfeld van een koude kermis thuis komen. Want geen van al die dingen kan me dat bieden, wanneer ik het contact verloren ben met het meest essentiële. In feite is al dat verlangen een afspiegeling van het allerdiepste verlangen, de heimwee naar wat er schijnbaar verloren is geraakt in de kindertijd: leven in tijdloze verwondering. Leven zonder een ‘ik’, leven in niet-weten. Dat is geen verlichting of bevrijding vóór de persoon, maar juist bevrijding ván de persoon.
Na jarenlang geconditioneerd te zijn, roept natuurlijk een vooruitzicht op leven in niet-weten ook weer een enorme angst op. Al die jaren van educatie en kennisvergaring waren nu juist bedoeld om controle te krijgen over het leven, ‘mijn’ leven. Wat gebeurt er met mijn leven als dat allemaal losgelaten zou worden? De grap is uiteraard dat er nooit controle geweest is, die heb ik alleen maar bedacht. Alles is altijd al spontaan gebeurd, met of zonder mijn wil. Het leven ontvouwt zich moeiteloos vanzelf; of ik dat nu door heb of niet maakt helemaal niets uit. En de ‘ik’ die ik al die jaren ervaren denk te hebben als de auteur en de stuurman van mijn leven, blijkt een illusie. Er is niet zoiets als een ik die een eigen leven heeft of leidt. Wanneer dat gezien wordt, lijkt alle vaste bodem vanonder weggeslagen te worden. Op zo’n moment ervaren sommige mensen een wanhoop die dan ongeveer verwoord wordt als: ‘ik kan het leven niet (meer) aan’. Lange tijd had ik die gedachte ook heel sterk en ik heb mezelf er vaak mislukt en zwak door gevoeld. Maar meer en meer besef ik dat het juist een heel helder inzicht in de realiteit is: natuurlijk kan ik het leven niet aan! Daar is het leven veel te groot en onberekenbaar voor. Hoe zou een klein ikje de totaliteit van leven aan kunnen, en waarom zou je dat in godsnaam willen?
Wanneer eenmaal de bodem weggeslagen is, is er geen weg meer terug en wordt er vanzelf losgelaten. Om te ontdekken dat dat nu juist de bevrijding is waar zo sterk naar verlangd werd. Niet de tijdelijke compensatie die in alle externe dingen gezocht werd, maar een samenvallen met het onbekende. Kennis en weten blijft gewoon bestaan, maar enkel voor praktische zaken en niet meer om een ‘ik en mijn leven’ uit te construeren. En ook externe dingen kunnen nog geambiëerd worden, maar niet meer voor innerlijke vervulling. Paradoxaal genoeg kan er zelfs méér van kennis, wetenschap en wereldse zaken genoten worden, wanneer er geen zelf of geluk meer in gezocht wordt.
Hoe ik mezelf ook verloren ben in alles gekend en bekend, er blijft altijd een diepe herinnering aan leven in het onbekende. Die beleving van spontaniteit en openheid, de pure vreugde van simpelweg ‘er zijn’, is altijd voorhanden. Leven in het onbekende is leven in chaos. Het onbekende is altijd nieuw, onvoorspelbaar, spannend, gevaarlijk zelfs. Niemand weet in welke situatie of op welk moment dan ook, wat het volgende zal zijn dat er gaat gebeuren. Dat is vrijheid, dat is thuis zijn. Alles wordt (uiteindelijk) gedaan want er is geen tijd, alleen eeuwigheid. Dat wat leeft, doet alles. Leven in het onbekende, is ontdekken dat ik nooit geleefd héb, maar dat ik altijd geleefd bén. Zoals de oceaan bepaalt waar alle golfjes heen gaan, zo bepaalt het leven waar ‘ik’ heen ga.
Thuiskomen is zien dat er niks anders bestaat dan thuis. Dat wat je zoekt is alles en het is in alles. Het is als niets in alles aanwezig, als leegte in alle vormen – onkenbaar. Daar valt verder ook niks aan te begrijpen, want het is te simpel. Het is gewoon wat er hier nu voor je neus en in je aan het gebeuren is. Geluiden, het lezen van deze woorden, gedachten, een geur, fysieke sensaties, zitten of liggen, een kop thee of koffie, om je heen kijken, wat dan ook. Alle vluchtige dingen die voortdurend verschijnen en ook weer verdwijnen in dit eeuwige, permanente nu. De 10.000 dingen waar de Tao het over had, die uit de Bron voortkomen en er niet los van staan. Er is niks verloren gegaan, het paradijs heeft me nooit verlaten, hoe vaak ik ‘het’ ook verlaten heb. Ik ben elke keer opnieuw ‘van huis’ gegaan om het te vinden. Het is het enige wat mij nooit verlaat en me ook niet kán verlaten omdat het niet van mij is. Het is Al wat is, zoals het is en het is van niemand. Laat het leven het levende mysterie zijn dat het is. © Ludo de Jongh








