De zoektocht naar geluk of het geluk in de zoektocht

Verschenen in Tijdschrift InZicht augustus 2018
Liever pdf versie? → De zoektocht naar geluk of het geluk in de zoektocht

Wie zoekt geluk?
We zoeken allemaal van tijd tot tijd op de één of andere manier wel naar iets. Elk zoeken heeft als einddoel de vervulling van een bepaalde wens. Maar waar alle wensen, behoeften en verlangens uiteindelijk een uitdrukking van zijn, of het nu gaat om een nieuwe auto, een relatie, spirituele verlichting of tomaten bij de groenteboer, is het onderliggende verlangen om ‘aan te komen’, thuis te komen.

De meesten van ons ontkomen niet aan de menselijke behoeften en verlangens. En in elke stap in het zoeken naar bevrediging van die behoeften en verlangens is het geluk te ervaren. Wanneer ik echter naar iets zoek en geloof dat ik pas gelukkig kan zijn als ik het gevonden heb, duw ik geluk juist voor me uit. Ik creëer dan een afstand tussen nu en een denkbeeldig punt in de toekomst waarin ik hoop ‘aan te komen’. Maar geluk is al aanwezig, te midden van dat wat hier nu is. Geluk is al aanwezig in de zoekende beweging die zich in het hier en nu op een bepaalde manier manifesteert. Het is de actieve levenskracht, die als het ware vanuit de stilte naar buiten toe beweegt. Geluk is realiseren dat jij die levenskracht en de stilte zelf bent, dat wat leeft.

Wanneer ik samenval met het zoeken, wordt het einddoel minder belangrijk dan de stap die ik op dit moment zet op weg naar dat doel, bijvoorbeeld: op mijn fiets stappen om naar de groenteboer te gaan. Een roedel honden in het wild zoekt ook naar eten, maar ze zetten eenvoudigweg de ene voet voor de andere. Ze weten heel goed waar ze naar op zoek zijn, maar zijn aanwezig in de stappen die ze in elk moment zetten. De voortgang op het pad, dichterbij de mogelijkheid tot eten komen is al een beloning in zichzelf voor ze. Waar ligt je aandacht, bij het eindresultaat van je zoektocht of in de levenskracht die op dit moment een stap zet om in je behoefte of verlangen te voorzien?

We zijn geneigd te denken dat geluk aan het einde van het zoeken ligt, maar het ligt juist aan het begin ervan. Het is realiseren wat je allereerst bent, voordat er ook maar een zoeken op gang komt. Franciscus van Assisi verwoordde het wel erg mooi: “dat wat je zoekt, is dat waarmee je zoekt”. Geluk gaat eigenlijk vooraf aan alles en vereist dus ook geen inspanning. Juist het krampachtig uitreiken naar iets anders, vanuit de overtuiging dat het hier nog niet is, zorgt ervoor dat we eroverheen kijken.

We zoeken naar geluk maar het gaat erom het geluk te vinden te midden van het zoeken. Geluk ligt in de zoeker die op zoek is naar zichzelf; de zoeker is zelf het doel van zijn zoektocht. Is dat niet komisch? Hij is het Zijn dat zich door de wereld heen beweegt en de hele tijd al zichzelf is, in alle situaties, vormen en hoedanigheden. En zichzelf zijn is geluk, vervulling.

Er zijn er die zeggen dat geluk de afwezigheid van zoeken is. En het kan inderdaad zomaar zijn dat als ingezien wordt dat niets in de wereld ultieme vervulling kan geven, dat het zoeken dan ophoudt of dat op zijn minst de beleving erachter verandert. Daarvoor moet het wel echt ingezien worden door het te ervaren, te voelen. Het is niet genoeg om jezelf te vertellen ‘niets in de wereld kan me gelukkig maken, dus ik ga niet meer op zoek’. Zoeken is een sterk energetische kracht die voortkomt uit het besef afgescheiden te zijn als lichaam-en-geest. Die afgescheiden ‘ik’ kan niet anders dan zoeken. Je moet zoeken totdat ingezien wordt dat juist het ‘al daar willen zijn’ je weghoudt bij wat er al is, bij wat je bent.

Wat zo fijn is aan het kopen van tomaten of het vinden van een nieuwe partner zit niet in de tomaten of de partner. Wat zo fijn is, is dat de krampachtig uitreikende energie oplost, dat de afstand tussen nu en het denkbeeldige punt in de toekomst wegvalt. Wat dan overblijft is een besef van aangekomen te zijn, tevredenheid, voldaanheid. Maar dat kan ook in het zoeken ervaren worden. De vraag is: heb je de overtuiging dat je al ‘daar’ moet zijn of is het oké om ‘hier’ te zijn? Al dan niet inclusief een stap in een bepaalde richting.  © Ludo de Jongh

Helende lessen van dieren

less van dierenVerschenen in Bres Magazine, sept 2018

Het zou een uitroep kunnen zijn: ‘heel de mens!’ Maar wie moet dat dan doen? En is het nog niet te laat, kun je je afvragen. Dat de mens heling, of leven vanuit heelheid kan gebruiken, is wel duidelijk. Het overgrote deel van de mensheid leeft nog altijd vanuit een gevoel van afgescheidenheid. De natuur heeft daar geen last van. Dieren ook niet. Daarom zijn die zo uitermate ‘geschikt’ om wat balans te brengen in onze levens.

Ik merk het zelf heel vaak als ik bij dieren in de buurt ben: ik kom spontaan in een soort ‘ruimte’ waar er als vanzelf een natuurlijke aanwezigheid doordringt. Denken valt weg, wordt overbodig als ik een kat aai of met een hond ga wandelen. Of wanneer ik naar de vogels luister in de vroege ochtend. Er is op zo’n moment niks anders wat me méér zou interesseren dan dat. Zo’n moment is vervuld. Een dergelijke aanraking (letterlijk maar ook figuurlijk) activeert iets in me, een levensvreugde of een enthousiasme. Er ontstaat een uitwisseling van energie, van wederzijds blij zijn met elkaars aanwezigheid, zonder dat daar een andere reden voor is dan dat: het samenzijn zelf. Alsof er iets ‘aan’ gezet wordt en er verwondering ontstaat over het wezen dat ik voor me zie of hoor en tegelijk in mezelf voel.

We kunnen zoveel leren van dieren. En dan bedoel ik niet het leren zoals we dat gewend zijn. Een ander soort leren, meer energetisch en gevoelsmatig dan conceptueel. Zo liet ik laatst een hond uit van het dierenasiel waar ik voor de lol een dag per week werk. Op een gegeven moment kwamen we bij een stoplicht. Al die tijd had ik de hond aan de lijn gevoeld, maar opeens voelde ik geen hond meer. Ik keek opzij en hij liep de weg op. De lijn was op de één of andere manier los gegaan (en achteraf gezien had ik dat kunnen voorkomen). Ik kon een lichte paniek niet vermijden en riep hem terug, maar hij keek alleen maar om en wandelde vrolijk verder. Er kwam een auto aan. De bestuurder had hem gelukkig gezien, en remde op tijd. Ik rende ondertussen naar hem toe, pakte hem op en droeg hem naar de kant van de weg. Wat nog best een klus is met een flinke staffordshire terriër. Eind goed, al goed, en we liepen verder. Ondertussen kwamen er gedachten in mijn hoofd over wat er had kunnen gebeuren. Toen keek ik naar de hond en zag dat hij het geval op het kruispunt achtergelaten had; hij droeg het niet met zich mee naar een volgend moment. Ik wel. Een glimlach verscheen op mijn gezicht. Het maakte me blij en het ontroerde me tegelijkertijd hoe hij me aan de realiteit herinnerde, aan het hier en nu. Geen verhaal, geen probleem. Geen scenario’s over wat had kunnen gebeuren. Hij nam het me niet kwalijk dat ik niet goed opgelet had waardoor hij had kunnen ontsnappen. Een hond kan dat soort verbanden überhaupt niet leggen. Ik zou kunnen zeggen dat hij me meteen vergeven had, maar er was niet eens iets wat vergeven hoefde te worden. Ook was hij weer net zo nieuwsgierig en ontvankelijk voor alle indrukken om hem heen als daarvoor (en zelfs tijdens de bijna-aanrijding). En in die natuurlijke staat van zijn verkeert die hond de rest van zijn leven, zelfs als zijn leven in het ergste geval zou eindigen in dat asiel met een spuitje.

Hoeveel tijd verspillen wij wel niet met het afdraaien van verhaaltjes over wat had kunnen zijn of over wat misschien zal zijn? Terwijl al die tijd het wonder van het bestaan onder onze voeten ligt.

Ook onze katachtige vrienden kunnen ons van alles leren. Wie een beetje bekend is met katten, zal al weleens van de gekke vijf minuten gehoord hebben. Zo ook een kat in het asiel, waar ik op een dag een poos mee aan het spelen was. Opeens haalde hij fel uit naar me, zonder enige reden en zonder vooraf inleidende signalen te geven. Dat is het fijne aan honden overigens, dat ze meestal wel een paar signalen geven voordat ze tot een aanval overgaan. Katten hebben dat dus vaak niet. Ik kwam er ongeschonden vanaf, maar ik schrok er wel van, dat de stemming zo plotseling omsloeg. Even later was hij weer ontspannen. Geen vuiltje meer aan de lucht, alsof het nooit gebeurd was. Het was uiteraard niks persoonlijks geweest; ik had niks verkeerds gedaan. Het was niet zo dat hij me wilde straffen of terugpakken voor iets. De kat reageerde blijkbaar op iets in hemzelf of iets anders in de omgeving (kan van alles zijn). Wij mensen vatten het zo vaak persoonlijk op als iemand ons niet teruggroet, een grote bek geeft, of afsnijdt in het verkeer. Terwijl daar ook zoveel aanleidingen voor kunnen zijn. Iemand kan je niet gezien hebben, zijn of haar dag niet hebben, of met spoed naar het ziekenhuis moeten. Of iemand is inderdaad egoïstisch of agressief van karakter; dan heeft dat toch nog steeds niks met jou te maken? Jij bent alleen toevallig net in de buurt. Zoals ik toevallig net in de buurt was toen die kat zijn dolle vijf minuten kreeg (vaak zijn het niet eens vijf minuten). Bij zo’n kat is het gemakkelijk om te zien dat het niks met mij te maken heeft; het is iets in dat beestje. Bij mensen is dat moeilijker. We zijn zo geneigd om aan onszelf te twijfelen, dingen persoonlijk op te vatten. Alsof al die andere mensen Boeddha’s zijn en wij degenen zijn die niet deugen. Of net andersom: ik ben de heilige en de anderen zijn allemaal klootzakken. Terwijl wij mensen, net als katten, ook af en toe onvoorspelbaar zijn; geconditioneerde patronen kunnen op elk moment weer de kop opsteken, waardoor we onaardig of zelfs agressief worden naar onze omgeving. Dat maakt ons nog geen slechte mensen. Alleen maar geconditioneerde mensen die hun patronen uitleven. “Vergeef hen Vader, ze weten niet wat ze doen”, zei Jezus zo mooi. De mens is gewoon een vreemd beestje.

Wij mensen zijn vaak zo druk bezig met doen dat we gemakkelijk vergeten dat we in de eerste plaats alleen maar zijn. Op een dag liep ik met een kennis door het bos. Aan de rand ervan stonden een paar paarden. We liepen erheen en ik ging naast een merrie staan die daar gewoon – zoals paarden dat doen – stond te staan. Zo stonden we een tijdje naast elkaar totdat er een zekere stilte over me heen kwam. Het paard straalde zo’n enorme ‘zijnsheid’ uit – een ‘ik-sta-hier-gewoon-aanwezig-te-wezen’ energie. Ik voelde mezelf terplekke sterk aarden door die uitstraling en zakte af in dezelfde staat van ontspannen aanwezig zijn. Het was alsof ze me leerde om de grond onder mijn voeten te waarderen, de aarde die me draagt. En om eenvoudigweg daar te zijn waar ik ben, samen te vallen met het moment, om het zo maar te zeggen. De stilte die het paard belichaamde schreeuwde – bij wijze van spreken – zoveel ‘nu-heid’ uit, dat het onvermijdelijk was om erin meegezogen te worden.

Dat is misschien nog wel de belangrijkste les die dieren ons te leren hebben: om hier nu te zijn met dat wat is. Mét dat wat is, ín dat wat is en áls dat wat is. We staan niet los van de uiterlijke manifestatie, maar zijn er intiem verbonden mee. Tegelijkertijd zijn we er niet door gebonden: de aanwezigheid die je bent blijft zelf altijd vrij en beschikbaar voor dat wat erin verschijnt. Er is dus altijd de tijdloze ruimte en dat wat erin verschijnt. Die twee zijn uiteindelijk één: een paradox die nooit begrepen kan worden door het denken. Er valt alleen maar mee samen te vallen.

Dieren leren ons om samen te vallen met het leven, de onmiddellijkheid van het leven niet te missen door met verleden, toekomst en ‘ergens anders’ bezig te zijn. Dit moment is kostbaar in de zin dat het enige wat werkelijk te ervaren is in dit moment ligt. We kunnen ons ons hele leven mentaal weg projecteren bij wat hier nu is, maar dat is een staat van spanning, stress en ontevredenheid. Dieren laten ons voortdurend zien hoe ontspanning, aanwezigheid en levensvreugde eruit zien. We hoeven alleen een beetje op te letten, een beetje ontvankelijk te zijn voor hun levenslessen. En al zullen we nooit in taal met ze kunnen praten, de woordeloze communicatie met ze is direct, eenvoudig en heel intiem. Ze leven in heelheid, niet afgescheiden van het geheel. Die heelheid is nou net wat wij het hardste nodig hebben.  © Ludo de Jongh

Waarheid is van niemand

309 - Tijdloze wijsheidVerschenen in Bres Magazine, mei 2018

Waarheid is van niemand. Vrijheid is niemands bezit. Zijn valt niet toe te eigenen. De werkelijkheid is wat ze is, tijdloos en ongebonden. Ze kan niet in een bepaalde vorm gegoten worden. Waarheid is universeel en niet hetzelfde als mijn persoonlijke waarheid, als er al zoiets bestaat. Voor wijsheid geldt hetzelfde. Toch hebben we het over Indiase wijsheid, Egyptische wijsheid, wijsheid van de Tolteken, non-duale wijsheid en noem maar op. We hebben het over de leer van Ramana Maharshi, Osho en Nisargadatta, over de teachings van Eckhart Tolle, Mooji en Byron Katie. Alsof een bepaalde cultuur, een bepaald land, een bepaald tijdperk of een specifiek persoon een soort monopolie heeft op waarheid. Alsof er toch weer zoiets bestaat als een persoonlijke waarheid die gebonden is aan een plek, groepering of verlicht persoon. Of nog erger, dat je een stroming of persoon moet volgen, omdat die de waarheid in pacht heeft. Onzin natuurlijk. Het enige wat kan gebeuren is dat de realiteit ingezien wordt en dat degene bij wie dat gebeurt daar zo vol van zit dat hij of zij erover begint te communiceren. Die communicatie kan dan een specifiek sausje meekrijgen, hopelijk met niet al teveel voorschriften, oefenmateriaal en regels.

Het is nuttig om te beseffen dat de mind een leer heel interessant vindt, evenals een zogenaamde verlichte leraar. De menselijke conditionering gaat vaak onverminderd of zelfs nog sterker door in het spirituele veld. Het ‘ik’ wil iets vinden, iets bereiken, iets toe-eigenen: waarheid, wijsheid, vrijheid, verlichting, zijn eigen afwezigheid, noem het maar. Een zoeker komt dan bijvoorbeeld uit bij het sjamanisme, bij Zen, bij een leraar of lerares. Nu is er niks mis met stromingen, methoden of leraren, maar de mind kan zo gemakkelijk gaan geloven dat waarheid, vervulling, bevrijding gebonden is aan die specifieke weg of persoon. Zo zijn er mensen die zweren bij de ene of de andere leraar of die bijvoorbeeld alleen maar aan Transcendente Meditatie doen omdat dat de enige ‘juiste’ vorm van meditatie zou zijn.

Realiteit, of dat wat is, is absoluut niet in woorden te vatten of te begrijpen met het verstand. Het is niet onder te verdelen in een hogere of lagere werkelijkheid, er is geen wiskundige structuur in aan te brengen of een volgorde van wat er eerst kwam en wat er daarna kwam. Tijd en plaats hebben wij bedacht en taal en concepten is ook iets wat alleen de mens heeft. Geen enkel dier zal dan ook naar een bijeenkomst met een spirituele leraar gaan om woorden te horen over de werkelijkheid. Het zal de hond van Eckhart Tolle worst wezen wat Eckhart zegt, dat hij beroemd is en volgens velen een geweldige teaching heeft en boeken heeft geschreven waarin hij alles helder uitlegt.

De menselijke geest houdt van categoriseren, vergelijken, evalueren, beoordelen. Zelfs in het spirituele lerarenwereldje zie je het veel voorkomen: leraren die op elkaar afgeven en beweren dat de ander ongelijk heeft of de boodschap niet duidelijk genoeg verwoordt. Volgers die geloven dat hun leraar het bij het rechte eind heeft en de anderen er naast zitten. Mensen die hun leraar gaan verafgoden, imiteren in gedrag en woorden. Een bepaald jargon wat ontstaat waarbij de volgers de woorden van de meester als heilig beschouwen en die letterlijk over gaan nemen. Er wordt over eenheid en onpersoonlijkheid gesproken en ondertussen wordt er duidelijk een exclusiviteit en persoonlijke vorm gecreëerd. Het is absurd en het speelt zich allemaal af op het mentale niveau, op het niveau van taal. Niet dat er iets mis is met iemand of een techniek of methode of religie vinden waar je je prettig bij voelt, waardoor je enig verstandelijk begrip ontwikkelt over de aard van de werkelijkheid of waarbij je merkt dat je je begint te openen. Maar dat waar je een tijdlang houvast aan hebt, is hoe dan ook altijd een vorm. En het gevaar is dat je naar de leraar blijft kijken alsof die het weet en jij niet. Zoals mensen tegenwoordig veel series kijken en daaraan verslaafd raken, zo raken veel spirituele zoekers verslaafd aan het kijken van video’s van guru’s en het lezen van boeken.

Natuurlijk zijn er mensen die het mooi kunnen vertellen. En natuurlijk zijn er mensen die het meer of minder doorleefd hebben dan anderen. Maar wat ze zeggen blijft taal, het is niet de waarheid zelf. Zoals een Chinees spreekwoord luidt: ‘wanneer de vinger naar de maan wijst, kijkt de dwaas naar de vinger’. Waarheid kan nooit van mij worden, maar ze kan wel doordringen, in mijn beleving, in mijn ervaring. Mensen kunnen enkel doorgeefluiken zijn van waarheid. Het leven zelf is de boodschap. En dat leven trekt zich niets aan van wat wijze mensen over dat leven denken te weten en erover communiceren aan andere mensen. Dit bestaan is en blijft een tijdloos mysterie, niet te vatten voor het verstand. Er valt enkel mee samen te vallen. De enige ware guru is het leven zelf.  © Ludo de Jongh

Oprechte communicatie

308 - CommunicatieVerschenen in Bres Magazine, maart 2018

Veel relaties zijn gebouwd op afgescheidenheid; een ‘ik’ hier en een ‘ik’ daar die met elkaar in verbinding proberen te zijn. Het afgescheiden ik, het ego leeft in een staat van onvervuldheid en heeft allerlei ideeën over hoe een relatie zou moeten zijn. Dat zorgt voor projectie; ik probeer dan een relatie te hebben met iets wat ik buiten mezelf projecteer. Met alle behoefte, verwachtingen en onoprechtheid van dien. Ik heb dan voornamelijk een relatie met mijn eigen ideeën over de ander in plaats van met de ander. In zo’n relatie kan er geen werkelijk samen-zijn bestaan, geen echte en oprechte communicatie. Er is dan hooguit communicatie tussen twee conditioneringen.

Het ‘ik’ kan eigenlijk per definitie niet eerlijk en oprecht zijn. De staat van onvervuldheid waarin hij leeft gaat gepaard met wantrouwen, controle, manipulatie. Om te verbinden met de ander denkt hij te moeten sturen, zodat er aan het beeld voldaan wordt wat hij van de relatie heeft. De ander is echter gewoon zoals hij of zij is en kan nooit aan dat beeld voldoen. Het ‘ik’ krijgt dus regelmatig reality checks; het wordt geconfronteerd met het feit dat liefde of vriendschap zich niet laat sturen.

Liefde is de afwezigheid van het ‘ik’ met al zijn belangen. Ego is verzet tegen liefde en het kan dus ook niet weten hoe liefde zich binnen een relatie zal manifesteren, omdat hij er de hele tijd met verwachtingen, ideeën en fantasieën tussen zit. Liefde is in simpele termen gewoon dat wat is en wat ik doe is die natuurlijke staat verstoren door mijn controledrang.

Liefde is al vervuld in zichzelf, en heeft het dus ook niet nodig dat ik als persoon oprecht of niet oprecht ben. Toch lijkt het er op een normaal menselijk niveau op dat oprechtheid tussen mensen de connectie tussen hen versterkt. Dat heb ik vaak genoeg ervaren in een voorgaande relatie. Ik merkte keer op keer dat mijn toenmalige vriendin zich het sterkst tot me aangetrokken voelde op de momenten dat ik open en eerlijk was, zonder defensiemechanismen en zonder de inmenging van de manipulatieve ego-figuur. Het zorgde er vaak voor dat de afstand die er daarvoor nog was tussen haar en mij in één klap overbrugd werd en er direct en intiem contact ontstond.

Al vrij jong leert een kind bepaalde patronen aan om te overleven, om ergens bij te kunnen horen, niet teveel af te wijken, bevestiging te krijgen. Maar we hebben allemaal onze schaduwzijde, onze donkere, minder leuke of ‘zwakke’ kanten. We zijn geneigd om te denken dat we die kanten moeten verbergen zodat mensen van ons houden. Maar mensen waarderen het uiteindelijk meer als je die kanten bloot durft te leggen. Wanneer ik laat zien wat er werkelijk in me omgaat, weten mensen dat ik oprecht ben en dat ze me dus kunnen vertrouwen. Ik hou mezelf niet verscholen, er is geen verborgen agenda. Ik laat mijn intenties, wensen, verlangens, angsten en emoties zien, het is ‘out in the open’.

Het communiceert dat ik zelf geen probleem maak van die dingen. Oprechtheid versterkt een gevoel van eigenwaarde. Liegen, zaken verdraaien, dingen verzwijgen en dergelijke holt dat besef van eigenwaarde juist uit. Het verschil tussen die twee kan ik voelen. Wanneer ik oprecht ben, voel ik me sterk, waarachtig, in lijn met wie ik in essentie bent. Tegelijk geeft het de ander ook de ruimte om zich te laten zien zoals hij of zij is. Als ik geen houding aanneem, hoeft de ander dat ook niet te doen.

Het ‘ik’ gelooft iets te bereiken door zich te verschuilen, door manipulatie en controle maar werkt alleen maar de patronen bij de ander in de hand die hij eigenlijk niet wilt. Doordat ik niet oprecht ben, versterk ik alleen maar wantrouwen en afstand bij de ander. Ego is bang om de ander kwijt te raken door oprecht te zijn, maar raakt de ander juist veel eerder kwijt door het tegenovergestelde.

Relaties en liegen gaan niet goed samen. Maar uiteraard is er altijd een goede reden te verzinnen om niet oprecht te zijn. Iets gedaan willen krijgen, mijn zin krijgen, liever aardig gevonden willen worden dan de waarheid vertellen… Ook kan ik mezelf voorhouden dat iets beter is voor de ander, terwijl het in werkelijkheid vooral beter is voor mezelf.

Oprechtheid en kwetsbaarheid kan gemakkelijk weer verworden tot een houding, een manipulatieve rol. Dan sta je evenmin op de ‘plaats’ waar je werkelijk bent. Je voelt het, je weet het wanneer je in lijn bent met wie jij bent en van daaruit communiceert. Oprecht communiceren wil trouwens niet zeggen dat je altijd alles vertelt wat er in je omgaat. Het gaat erom vanuit welke ‘plek’ je iets wel of niet vertelt. Communiceer je vanuit het ‘ik’ met al zijn maniertjes of vanuit waarheid?

Waarachtig zijn laat mensen ontspannen; ze weten dat ze van me op aan kunnen. En het belangrijkste is dat ik zelf weet en ervaar dat ik echt bent, dat ik trouw ben aan mezelf, aan datgene wat waar is voor mij. Daardoor ben ik in de eerste plaats leuk voor mezelf. De behoefte dat iemand anders me leuk, aantrekkelijk of aardig vindt, wordt daarmee van secundair belang. Ik voel me vanuit zelfliefde sterk genoeg om het ook prima te vinden als iemand niet (meer) bij me wil zijn. Ik hou dan meer van waarheid dan van bevestiging.

Jezelf zijn en daar oprecht uitdrukking aan geven is de grootste gift die je aan jezelf en de ander kunt geven. En als die ander het niet waardeert dat jij jezelf laat zien, dan is het misschien ook beter om geen relatie met die persoon te hebben. Wat is een relatie waarin je niet jezelf kunt zijn, waarin jij niet mag zijn wie je bent?

Het is uiteindelijk alleen de ‘ik’ die niet oprecht is, omdat die van alles nodig denkt te hebben van een ander. Wanneer er geen onvervuldheid is, hoeft een ander niet gemanipuleerd te worden. Er is dan niets te vrezen in relatie met een ander. Wanneer identificatie met een afgescheiden ‘ik’ uit de weg is, kan er werkelijke communicatie en samenvloeiing ontstaan. Er ontstaat dan een geven en ontvangen, een uitwisseling van energie, gevoelens, interesses, humor, gedachten. Een spontaan delen in de vreugde van het bestaan.  © Ludo de Jongh

Door de poort – sterven om te leven

307 - Door de poortVerschenen in Bres Magazine, januari 2018

The gate is straight, deep and wide; break on through to the other side ~ Jim Morrison

Veel mensen geloven op een pad richting bevrijding te zitten. Maar in werkelijkheid is er geen pad en het kan dus ook nergens naartoe leiden; het lijkt alleen een pad te zijn vanuit het oogpunt van de spirituele zoeker. Tegelijkertijd is er geen ontsnappen mogelijk aan datgene waar naar gezocht wordt. Je komt vroeg of laat, laten we zeggen, op een soort kantelpunt waarop je niet anders meer kunt dan opgaan in het leven. Om te zeggen dat je daar komt, klopt trouwens niet helemaal want er is geen komen of gaan. Het kantelen gebeurt in hetzelfde nu als waarin je je nu bevindt; er is maar één nu, er is alleen maar tijdloosheid. Opgaan in het leven gebeurt wanneer het schijnbaar afgescheiden ‘ik’ sterft. Anders gezegd: op het moment dat het geloof in een niet werkelijk bestaand ik met de bijbehorende verkrampte energieformatie in het lichaam wegvalt, is er Leven, openheid, vrijheid. En leven is simpelweg dat wat is.

Oplossen in dat wat is, is als door een poort gaan die toegang geeft tot alles en niets tegelijk. Dat wat is, is tegelijkertijd volheid en leegte. Beweging en stilte. Dit is de ultieme paradox van het leven. Nisargadatta Maharaj zei: ‘Weten dat ik niets ben is wijsheid. Weten dat ik alles ben is liefde. Tussen die twee beweegt het leven zich.‘ Het is onvermijdelijk om bij die schijnbare toegang tot alles en niets uit te komen en erachter te komen dat er geen poort is. Het is geen opening ergens naartoe, maar openheid zelf. Je komt nergens vandaan en gaat nergens heen. In plaats van een stap ergens naartoe, is dit eerder een stap op de plaats. Het idee van een poort ergens heen, van een pad, een proces en een moment van bevrijding ergens in de tijd, bestaat enkel in de beleving van de zoeker, van het individu dat zich afgescheiden waant van de totaliteit. In feite is er geen pad, geen proces, geen tijd, geen poort en uiteindelijk ook geen zoeker. Je loopt eigenlijk altijd al voortdurend rond in de open, oneindig uitgestrekte niet-poort die het leven zelf is. De poortloze poort, zoals die in bepaalde Zen-geschriften wel genoemd wordt. Het verschil tussen de gevangenis of de droomstaat van het ik en bevrijding is dat in bevrijding gezien wordt dat je altijd al de openheid zelf geweest bent. Nogmaals, de gevangenis bestaat alleen in de beleving van het ik dat zich afgescheiden voelt van het leven; de verkrampte beleving een afgescheiden ik te zijn ís de gevangenis. Het individu is dus de illusie maar toch wordt afgescheidenheid als werkelijk ervaren. De droom heeft nogal wat zwaartekracht.

‘Ik’ lijkt een soort verstolling van iets wat vloeibaar is. Het statisch maken van wat dynamisch is, zo je wilt. Een toe-eigening van bewegingen, gedachten, gevoelens, sensaties, die op zich van niemand zijn; ze verschijnen ergens in en zijn volledig vrij en onpersoonlijk. De ik claimt vervolgens die bewegingen en maakt ze tot objecten. Door middel van taal worden er concepten aan de verschijningen gehangen en ontstaat er ogenschijnlijk een ik en een wereld, ik en de anderen, ik en objecten, etcetera. Ook energetisch ontstaat er zo een vaste, afgescheiden formatie die rondloopt in die wereld en die er bijna voortdurend mee in strijd is. Sommige dingen moeten namelijk weg en andere dingen (of mensen, gevoelens, situaties, enzovoorts) moeten erbij. ‘Ik’ wil controle over het leven, zodat het dingen naar zijn hand kan zetten, maar raakt keer op keer gefrustreerd omdat het leven zich niet laat dwingen. Het individu leeft dus in een staat van bijna constante onvervuldheid, met korte periodes van relatieve tevredenheid, schijnveiligheid of extatische hoogtepunten.

Zo leven we in schijnbare afscheiding. Totdat ingezien wordt dat juist die beleving, het geloof een ik te zijn de storende factor is. Dan opent zich de mogelijkheid om het voor de hand liggende te zien: het leven is onvoorspelbaar en controle is een illusie. Het ik is bang voor het onbekende maar tegelijk is er een onstilbaar verlangen naar. Om op te gaan in het onbekende, beseft het ik dat het zelf moet sterven. Wat bekend leek en gekend werd, blijkt een illusie. Het waren alleen maar concepten die op de wonderlijke, niet met het verstand te kennen werkelijkheid geplakt werden. De poort van het onbekende, van het leven opent zich en de mogelijkheid om er doorheen te gaan presenteert zich. In de woorden van Aldous Huxley: ‘There are things known and there are things unknown and in between are the doors of perception.’ Eenmaal erdoor is er uiteraard niemand meer die erdoor heen ging. Die is opgelost in het leven. In meer religieuze termen: de eenwording van de mysticus met God is meteen het einde van de mysticus. Game over. Eenmaal door de poort, is er ook geen poort meer.

Het leven is altijd dat wat is: hier, nu, dit. Daarin oplossen, is bevrijding. Wat wegvalt is het geloof een afgescheiden ik te zijn en de onvrije, verkrampte lichamelijke beleving die daarmee gepaard gaat. Bevrijding is zien dat er alleen maar leven is, en geen ik die een leven heeft. Het geloof in eigendom valt weg; wat voorheen geclaimd werd, waar een ik uit samengesteld werd, wordt nu ervaren als vrij stromende energie. Je loopt ogenschijnlijk de gevangenis van het ik uit, zonder enige moeite of inspanning, en opeens is daar vrijheid, leven, nu-heid, nieuwheid, licht. Alles is nieuw en aanwezig en heeft een bepaalde kwaliteit van oorspronkelijkheid en levendigheid in zich. Alle objecten, mensen, gedachten, gevoelens, sensaties, situaties verschijnen en verdwijnen in het licht van het tijdloze nu en alles ís dat licht; alles bestaat uit hetzelfde Zijn.

Het leven is complete chaos. Alles is mogelijk om in de ruimte van nu te verschijnen. Chaos betekent in de Griekse mythologie leegte; de leegte waarin alles valt, zonder richting of oriëntatie. Het leven is onverwoestbaar, maar verwoesting van levensvormen vindt plaats. Dat geldt ook voor mijn lichaam-en-geest. Er komt een moment, wat overigens exact dezelfde ‘gevoelsruimte’ zal zijn als waarin ik me nu bevind, waarop dit lichaam zal sterven. Wanneer werkelijk ingezien wordt dat het lichaam sterfelijk is en dat de ik die je ‘erin’ ervaart, niet echt bestaat, is er bevrijding. Zoals in de film Fight club wordt gezegd: ‘First you have to give up. First you have to know, not fear, know that one day you are going to die.’ Dan zie je dat jij het leven zelf bent. Vrij stromende en chaotische energie die nergens heen gaat en nergens vandaan komt. Krom uitgedrukt: je komt tot leven, nadat je gestorven bent, nadat ingezien is dat er geen ‘je’ is. Of anders gezegd: het leven is er in volle glorie wanneer het niet langer gefilterd wordt door het scherm van het afgescheiden ik. Echte koffie is lekkerder dan filterkoffie, toch?

Vóór bevrijding is er als het ware een horizontale beleving, als we het ons even visueel voorstellen. Je hebt het gevoel dat je leven zich voortbeweegt op een soort tijdlijn, met voor en achter, verder en terug. Wanneer bevrijding plaatsvindt, lijkt het alsof er iets kantelt en is de beleving opeens meer verticaal. Er is alleen nog maar ‘hier’, geen ‘daar’ meer. Er is alleen nog maar ‘nu’, geen ‘later’ meer. Een directheid, een intimiteit met al wat is en een onontkoombaarheid aan wat is, wordt duidelijk. De tijdgerichte, tijdsgebonden ik die je dacht te zijn is er niet meer en je ziet dat die er eigenlijk nooit geweest is. Je was doodsbang voor je eigen afwezigheid, terwijl die afwezigheid juist zo fijn blijkt te zijn. Je was op zoek naar iets – vervulling, geluk, liefde, noem het maar – en nu is het alsof je gevonden wordt door iets wat naar jou op zoek was. Je ontsnapte er schijnbaar lange tijd aan juist door ernaar te zoeken! Nu neemt het je in de armen en besef je dat je poging om het te vinden het nou net bij je weg hield. Doors-zanger Jim Morrison schrijft ergens in zijn poëzie: ‘We’re reaching for death on the end of a candle. We’re trying for something that’s already found us.’ Juist door het uitreiken, het zoeken naar iets specifieks verschuilen we ons voor wat hier nu al is. Wederom, paradoxaal.

Dit zijn uiteraard allemaal maar woorden. We gebruiken taal om iets uit te drukken wat volledig buiten taal ligt. In andere woorden: we gebruiken juist datgene wat de werkelijkheid verdeelt om de werkelijkheid te beschrijven die niet te verdelen valt. De werkelijkheid is één naadloos, ononderbroken, eindeloos geheel. Taal lijkt die eenheid te verdelen in losse onderdelen. En omdat taal het middel is om een boodschap te communiceren, gaan we automatisch geloven in de concepten van scheiding en tegengestelden die – wellicht heel subtiel – door taal gecreëerd worden: ergens vandaan, ergens naartoe, een poort, bevrijding, verticaal, horizontaal, ik en de ander, ik en de wereld, etcetera. Maar vrijheid, leven, energie of hoe we het onnoembare ook noemen, valt niet te begrijpen met het verstand en valt zeker niet op te delen in stukjes. Daarom is het eigenlijk absurd om een onderdeel van het geheel (het menselijk verstand en de menselijke taal) te gebruiken om het geheel te beschrijven. Conceptuele kennis is wat anders dan wijsheid. Daarom misschien zei Socrates: ‘De enige ware wijsheid ligt in het weten dat je niets weet.’

Bevrijding gaat niet om kennis of woorden, maar om beleving, ervaren, sensen. Bevrijding, zou je kunnen zeggen, is een radicale verschuiving of kanteling in beleving en perceptie. Wat je waarneemt en wat je ervaart en voelt blijft hetzelfde, maar hoe je het waarneemt, ervaart en voelt, verandert compleet. De Engelse dichter William Blake schreef: ‘If the doors of perception were cleansed, everything would appear to man as it is: infinite.’ De oneindige natuur van alles wordt duidelijk wanneer de perceptie of de ‘gevoelswaarneming’ radicaal verschuift. In die ‘nieuwe’ – in feite tijdloze – perceptie wordt helder dat er geen losstaand ik is of zelfs ook maar ooit geweest is. Je weet het wanneer ontwaken gebeurt, het wordt herkend zodra het er is. Er is namelijk een herinnering aan de oorspronkelijke staat van Zijn. Daarom hoef je je ook niet druk te maken over bevrijding; het ‘komt’ wanneer ‘jij’ er klaar voor bent. Of beter gezegd: wanneer de jij die iets wil vinden, bereiken, begrijpen – wellicht uitgeput van het zoeken – ineenstort, is Dat wat overblijft: vrijheid, leven, freeflow. Er is een verhoogd besef van levendigheid, alsof de dimmerknop omhoog gedraaid is; de wereld lijkt meer tot leven te zijn gekomen. Het mysterie, het wonder van het leven wordt geleefd en de behoefte om het mentaal te begrijpen valt weg. Vragen over het waarom vallen weg. En de cosmic joke van een zoeker die op zoek was naar vervulling en overal zocht behalve in wat het meest voor de hand liggend is, wordt gezien. Onvermijdelijk brengt dat een lach, stilletjes of hardop.  © Ludo de Jongh

Radicale confrontatie met jezelf

confrontatieVerschenen in Bres Magazine, november 2017

Er zijn maar weinig benaderingen van spiritualiteit die zo radicaal zijn als non-dualiteit. Dat blijkt ook wel in mijn eigen leven. Als je eenmaal met non-dualiteit in aanraking bent gekomen en de waarheid ervan dringt werkelijk tot je door, dan kan het alle vaste grond onder je vandaan slaan om plaats te maken voor een ruimere en directere beleving. Dat wil zeggen, dat je stukken die voorheen weggestopt waren, nu gewoon ten volle aan durft te kijken, te voelen en te ervaren. De realisatie van non-dualiteit kan er op praktisch niveau voor zorgen dat je als mens als een geheel in deze wereld gaat functioneren, waarbij er geen delen van dat geheel ontkend of gladgestreken worden.

Pas jaren nadat ik met non-dualiteit in aanraking gekomen was, begon het eindelijk op me in te werken. Het was als een virus, dat tijd nodig had om me te pakken te krijgen. Ik had erover gelezen, satsangvideo’s gezien en lezingen bijgewoond, erover gepraat en ook het één en ander ervaren: momenten van ontwaken, inzichten, gevoelens die zich toonden. Maar het duurde lang voordat ik echt de confrontatie aan begon te gaan met wat er in me leefde: destructieve gedachtepatronen die zichzelf al jarenlang herhaalden en gevoelens die al decennia lang vastgehouden, onderdrukt en meegezeuld werden. Gevoelens van afgewezenheid, gekwetstheid, verdriet, boosheid, frustratie, jaloezie, angst, noem maar op. Vooral afwijzing bleek een sterk terugkomend thema in mijn leven. Afgewezen door mijn ouders, vriendinnen, docenten, collega’s, vrienden, vreemden. Vooral intieme relaties waren (uiteraard) een bron van veel afgewezenheid. Toen dat gevoel niet langer onderdrukt werd, leek het wel een explosie van pijn, maar ook van vreugde, van bevrijding. Alles is energie en die energie kan vastzitten, maar die kan zich ook bevrijden. Grappig wel trouwens, dat ik me zo vaak afgewezen voelde door anderen, terwijl ikzelf dat gevoel dan weer keer op keer afwees. Ironisch. Was ik het niet al die tijd al zelf, die mij afwees?

Non-dualiteit, of Advaita in het Sanskriet, de oude taal van India, verwijst naar het feit dat op het meest fundamentele niveau de werkelijkheid één geheel vormt, ofwel dat er geen afgescheidenheid bestaat. Advaita betekent letterlijk ‘niet-twee’. Dat gaat meteen al heel ver, want ervaren we onszelf niet als losstaand van de wereld, van de ander? Ik ben toch een mens, een op zichzelf staand iemand, en de wereld is toch buiten me? De werkelijkheid mag dan op het diepste niveau ongebroken zijn, maar als ik het leven niet zo ervaar, wat heb ik dan aan die wetenschap? Niks dus. Zolang er hele menselijke, duale dingen zitten te wringen, moet ik mezelf daarmee confronteren in plaats van me een non-duaal verhaal eigen proberen te maken, die als een soort deken over mijn beleving komt te liggen. En dat gebeurt veel meen ik. Je kunt je het verhaal wel eigen maken, maar de beleving zelf kun je op die manier niet forceren. De non-duale beleving ‘ontstaat’ door te zijn met wat is. Ook voor mij was de herkenning van de waarheid van non-dualiteit een eye-opener die ironisch genoeg mijn ogen jarenlang sloot voor stukken in mijn duale, aardse beleving.

Totdat het kwartje gevallen is, het inzicht ingedaald is, en ook daarna nog, hebben we gewoon te dealen met de werkelijkheid zoals we die beleven. Het is bijvoorbeeld heel mooi om te weten dat ik niet afgescheiden ben van die ander en dat ik dus ook niks van hem of haar nodig heb, maar als ik wel verlangen en behoeftigheid ervaar, is dát wat er is, is dát waar ik mee om te gaan heb. Om mezelf dan voor de gek te houden door mezelf te vertellen dat ik in essentie één ben met de ander, creëert een schizoïde toestand in mezelf, waarbij ik me voorhoud niet-afgescheiden te zijn maar me wel afgescheiden voel. Gevoelens van afgescheidenheid blijven bestaan, zelfs nadat ingezien is dat de werkelijkheid één geheel is. En wellicht zullen die gevoelens de rest van je leven op blijven komen. Is dat erg? Wat is er mis met een gevoel?

Het werkelijke probleem zijn eigenlijk niet de gevoelens, maar de weerstand ertegen. De beleving van afgescheidenheid bestaat in feite door de weerstand tegen voelen, door het vasthouden of onderdrukken van gevoelens, die uit zichzelf gewoon vrij willen stromen. Waar is namelijk de afgescheidenheid te vinden als ik mezelf toesta me boos, verdrietig, jaloers, vervreemd of wat dan ook te voelen? Waar is de grens tussen mij en het gevoel? Een grens is er alleen maar als er een muur van weerstand is. Er is alleen afgescheidenheid als ik het gevoel buiten mezelf plaats, zeg dat dat gevoel er niet zou moeten zijn of dat het anders zou moeten zijn. Anders is het simpelweg mijn beleving op dat moment. Zelfs als ik helemaal overgenomen word door een gevoel van eenzaamheid, vervreemding, teruggetrokkenheid, dan is er toch een volledig samenvallen met die beleving mogelijk? En daarna komt er weer een ander gevoel of een andere stemming voor in de plaats. Zo gaat dat je hele leven door eigenlijk. In weerstand zit een sterk element van afwijzing. Niet voor niks dat dat zo’n sterk thema bleek in mijn leven. En dat geldt voor veel mensen geloof ik. De overtuiging dat we niet goed zijn zoals we zijn, zit vaak erg diep. Afgescheidenheid is dan ook veel meer dan alleen een overtuiging; het is vooral een energetisch-lichamelijk gevoeld fenomeen.

Het enige wat dus in de weg zit, is een weerstandsmechanisme, dat ons afscheidt van wat er is. Dat is identificatie, ego: jezelf gelijkstellen met het afgescheiden ik dat je denkt te zijn. Weerstand tegen wat is, scheidt je automatisch af van wat is en maakt je dus tot een identiteit, een ego, een losstaand ding. Wanneer je jezelf tot een ding maakt, maak je al het andere ook tot een ding. Door de weerstand lijkt er tweedeling te zijn, conflict, afgescheidenheid. Ik zeg expres ‘lijkt’ want vanuit het geheel gezien is die afgescheidenheid ook onderdeel van het geheel. Met andere woorden, de menselijke beleving van afgescheidenheid, die zich in ons aardse bestaan gewoon heel reëel en voelbaar manifesteert, is niet afgescheiden van heelheid. Als je heelheid, of de complete werkelijkheid ziet als eindeloze energie, dan is er binnen die eindeloosheid ook verkrampte, vastgehouden energie mogelijk. Weerstand tegen wat is, is het ego. Meer is het eigenlijk niet. Ego is ook energie. We beleven het als een beweging of een kracht die bestaat uit nee zeggen tegen wat is, afhouden, forceren, controle, en dergelijke. Binnen de totale energie, is het een energie die verkrampend, verlammend en aanspannend werkt, met alle bijkomende gedachten over verleden en toekomst. Ego is de vasthouder en de afhouder, de klamper en de onderdrukker. Er is an sich niks mis mee, zolang je je maar bewust bent van hoe het werkt en wat het teweeg brengt.

Natuurlijk is de beleving van eenheid of openheid prettiger en natuurlijker dan de beleving van afgescheidenheid. Maar daar kan alleen iets in verschuiven, wanneer ook die schijnbaar afgescheiden stukken zich in volle glorie mogen tonen. Het zijn vaak delen van onszelf die jarenlang weggestopt zijn, afgewezen, afgekeurd en zo hebben ze zich nooit kunnen bevrijden. Zo blijf ik een gefragmenteerd persoon, versplinterd met bepaalde delen die de voorkeur krijgen boven andere. Nou gaat non-dualiteit er niet over om als persoon heel te worden, want op het meest fundamentele niveau van werkelijkheid waar non-dualiteit naar verwijst is de persoon niet-bestaand, maar totdat dat gerealiseerd is, zullen er nog stukken bevrijd moeten worden die niet ‘meestromen’ met de non-duale beleving. Daarvoor is veel moed en interesse nodig en wellicht ook hulp van iemand die op deskundige manier mee kan kijken naar wat er in en om je heen gebeurt. De gevoelens van afgescheidenheid kunnen heel diep in het lichaam opgeslagen liggen. Om die gevoelens, die vaak heftig zijn, weer te gaan voelen, moeten we erg dapper zijn. Daarvoor is een soort ‘spirituele krijger-mentaliteit’ vereist. Het is geen pretje om traumatische en onverwerkte gevoelens werkelijk omhoog te laten komen. De weerstand is niet voor niks in actie gekomen om die gevoelens te onderdrukken. Ze waren te heftig toen we een kind of puber waren. Nu we volwassen zijn, zijn we echter wel in staat om ze te voelen, dus het is veilig genoeg om ze uit te nodigen.

Waarom zijn we zo bang om te voelen? We zijn bang overweldigd te worden wanneer we onszelf toestaan om onplezierige gevoelens te gaan voelen. Maar het enige dat overspoeld zal worden is datgene wat zijn identiteit ontleent aan weerstand bieden tegen diezelfde gevoelens, het ego. Die weerstand had zijn functie toen we klein waren, maar als volwassenen zijn we in staat om toe te laten wat vroeger niet gevoeld kon worden. Wat ik in essentie ben – Bewustzijn, om het een naam te geven – kan niet overweldigd worden en het lichaam zal ook niet gemakkelijk overweldigd worden. Geen enkel gevoel is te groot of te heftig om gevoeld te worden. Je lichaam is daar gewoon geschikt voor, alhoewel gevoelens heel heftig kunnen zijn, zeker nadat ze jarenlang door onderdrukking ondergronds hebben geleefd. De bevrijding komt pas nadat een gevoel de ruimte heeft gekregen. Vergelijk het met een metalband die een uur in je woonkamer op volle sterkte komt spelen terwijl jij erbij zit tegen je zin in. Na dat uur ben je opgelucht dat ze de deur weer uit gaan. Alhoewel, het kan ook zijn dat je zelfs van het lawaai van de gevoelens gaat houden. Dat was in ieder geval mijn ervaring, toen ik vertrouwd raakte met het toelaten van heftige gevoelens. Houden van de bevrijding als een gevoel weer een poosje verdwijnt is makkelijk; houden van de gevoelens zelf, vereist enige oefening en heel veel bereidheid. Ik geloof dat je er op de één of andere manier ‘klaar’ voor moet zijn om ze te gaan voelen en er klaar mee moet zijn om ze te onderdrukken. Daarom duurde het denk ik bij mij ook zo lang voordat ik ze echt onder ogen kon komen. Je moet blijkbaar genoeg geleden hebben onder de weerstand, zodat er voldoende kracht en bereidheid beschikbaar is om de confrontatie aan te gaan met wat er in je leeft.

Waar we werkelijk naar verlangen – vrede, liefde, vreugde, een besef van eenheid – ligt te wachten onder alle gevoelens die vastgehouden en tegengehouden worden door de weerstand. Wanneer de gevoelens vrij door het lichaam kunnen stromen, is er op gevoelsniveau een beleving van niet-afgescheidenheid. Tot die tijd is er weerstand, is er dualiteit tussen mij en mijn gevoelens, tussen mij en de ander, tussen mij en de wereld. De weerstand tegen gevoelens is eigenlijk dezelfde weerstand als tussen mij en de wereld en tussen mij en de ander. Er is eigenlijk dus maar één probleem: weerstand tegen of afwijzing van wat is. Maar dat probleem is geen probleem meer op het moment dat het gezien wordt voor wat het is en hoe het werkt. Dan wordt namelijk gezien dat de weerstand me niet beschermt, maar juist pijn bezorgt, meer pijn dan de oorspronkelijke pijn waar hij me tegen probeert te beschermen. Dan kan alles zich manifesteren, ook die gevoelens die er in naam van die vasthouder, afhouder, klamper en onderdrukker niet mochten zijn. Langzaam maar zeker kunnen ze zich dan bevrijden.  © Ludo de Jongh

De mens en zijn toneelstuk

De mensVerschenen in Bres Magazine, september 2017

All the world’s a stage and all the men and women merely players ~ William Shakespeare

Het leven in deze wereld is een toneelstuk en we kunnen niet anders dan de rollen spelen die we te spelen hebben. Wel is het mogelijk om in te zien dat we die rollen slechts spélen, dat ze ons niet definiëren. Er is een groot verschil tussen iets spelen en denken datgene te zijn wat je speelt. Een acteur weet dat hij slechts de rol speelt die hem toebedeeld is in het toneelstuk en dat hij ondertussen gewoon zichzelf is. Dat hoop ik tenminste voor de acteurs en actrices. De wereld is een podium; het leven in deze wereld een toneelstuk; de wakkere mens, de mens die zich bewust is van zijn of haar werkelijke aard ziet dat en neemt het niet te serieus. Niet dat ik nou altijd zo ‘wakker’ ben overigens; ik verlies me nog regelmatig in identificatie.

We spelen dagelijks verschillende rollen: de rol van werknemer, wandelaar, moeder, klant, reiziger, spreker, luisteraar, noem maar op. Elke nieuwe situatie is weer een nieuw toneelstuk, een nieuwe opstelling. Telkens is er weer de verleiding die op de loer ligt om je te gaan identificeren met de rol die je slechts speelt. En dan is er misschien ook een bepaalde rol waaraan je je identiteit ontleent, meer dan aan de andere rollen die je speelt: schrijver, docent, werkloze, etcetera. Opvallend is het wel dat onze identiteit vaak ontleend wordt aan de functie die we vervullen in de maatschappij. Maar dat even terzijde.

We spelen onze rollen in het toneelstuk en raken misschien meer geïdentificeerd met een rol dan we zouden willen. En we hechten wellicht meer belang aan het toneelstuk dan we zouden willen. Maar stel jezelf eens de vraag: waarin vindt het toneelstuk plaats? Wie of wat is het die ziet dat het toneelstuk plaatsvindt? Gewaarzijn, om het een naam te geven, en dat is dus eerder een ‘wat’ dan een ‘wie’; het is geen persoon, het is niet één van de spelers. Gewaarzijn – of hoe we het onnoembare ook willen noemen – ziet het hele gebeuren: het podium, de rollen, het verhaal dat verteld en uitgebeeld wordt. Het hele toneelstuk verschijnt aan gewaarzijn, verschijnt er in. Elke acteur is in essentie datzelfde gewaarzijn, vermomd als een iemand, als een persoon. Een toespitsing of een focuspunt van gewaarzijn, zouden we kunnen zeggen.

Het is al vaak gezegd in spirituele literatuur dat het Griekse woord persona ‘masker’ betekent, maar ik doe het bij deze nog maar een keer. De persoon verschilt niet erg van de acteur: beide vormen ze slechts een masker, een maskering of versluiering van wat er werkelijk aanwezig is voorbij of voorafgaand aan de identificatie met het specifieke masker. Er is eigenlijk niemand thuis achter dat masker – er is geen individueel, afgescheiden ‘ik’ aanwezig in die body-mind – maar elke acteur of persoon doet alsof er wel iemand is. Dat hoort namelijk bij het spelletje. Het ene poppetje heet anders dan het andere en heeft andere kenmerken, maar in werkelijkheid is er hetzelfde gewaarzijn aanwezig in en achter die schijnbare figuren. Alleen dat gewaarzijn verdient werkelijk de naam ‘ik’ want als je alles weghaalt wat bedacht of verzonnen is over jezelf, is dat het enige wat er overblijft. Maar die ‘ik’ is dus geen persoonlijke ‘ik’.

Het wonderlijke is dat die ‘ik’ exact hetzelfde is – geen duplicaat, maar één en hetzelfde – in wat ik ‘de ander’ noem. Ook zijn of haar essentie, als alles wat bedacht is – overtuigingen, ideeën, zelfdefinities, etcetera – weggehaald is, is gewaar-zijn – Zijn dat gewaar is van zijn eigen bestaan en alles wat daarin verschijnt. Heel krom gezegd, zijn ‘we’ dus in die ‘plek’ die we voor het gemak even gewaarzijn noemen, ‘één’. Datgene waar jij ‘ik’ tegen zegt – het meest fundamentele en meest intieme besef van wie of wat jij bent – is dezelfde ruimtelijkheid, onbegrensdheid, dezelfde stille aanwezigheid waar ik ‘ik’ tegen zeg. In die onbegrensdheid zijn we dus niet verbonden met elkaar, maar is er geen ‘we’; er is alleen maar ‘dat’ – het onnoembare. Op dat diepste (of hoogste, maar net hoe je het bekijkt) niveau bestaan het podium, de rollen en het verhaal in het toneelstuk dus ook niet als afzonderlijke delen van een geheel. Dat alles vindt plaats in hetzelfde geheel, de lege en toch levendige ruimte van gewaarzijn.

Wanneer je je ogen dicht doet, en je vraagt je af: waar ben ‘ik’ nu, waar is ‘ik’ nu te vinden? Wat ontdek je dan? Ik ben hier, al is ‘hier’ niet een plek ergens in de ruimte, hier ís de ruimte. Zijn er grenzen aan ‘mij’, aan hoe ik mezelf ervaar? De grenzen die ik waarneem als ik naar mijn lichaam kijk – voornamelijk de huid dus in feite – zijn die er wanneer ik mijn ogen sluit en voel waar ik ben en welke ruimte ik inneem? Nee! Je voelt sensaties, ook weer ‘ergens’ in diezelfde ruimte, maar niet op een bepaalde plek. Je weet wel dat een bepaalde sensatie in je arm of in je buik zit, maar de concepten arm of buik hebben geen betekenis in die onbegrensde, ondefinieerbare ruimte. Als je je ogen open doet, verschijnen alle dingen ook gewoon in diezelfde ruimte trouwens. In je directe visuele ervaring zijn de dingen ook niet te lokaliseren. Wel als we het verstand gaan gebruiken om locaties aan te duiden; om hoogte, breedte, diepte en dat soort zaken toe te kennen. Dat is prima om te doen, het is alleen goed om te beseffen dat het het menselijke verstand is dat dat soort concepten op de werkelijkheid legt. In werkelijkheid bestaan ze niet, ze worden door ons aan de realiteit gekoppeld.

Kun je zien, kun je ervaren dat wat je waarneemt in je gezichtsveld, zich in dezelfde ruimte bevindt als waarin jouw lichaam zich bevindt? Dat die ‘ander’ die je ziet, in hetzelfde veld beweegt als waarin ‘jij’ je beweegt? En is er niet gewoon één ‘ervaren’ van het hele gebeuren, van ‘jezelf’, de ander, de ruimte en alles wat erin is? Het is één geheel, één happening, je ervaart geen losse onderdelen. We kunnen het vergelijken met een film op een scherm: je neemt alles waar op hetzelfde scherm, het is één beeld. Het enige verschil tussen die film en de werkelijkheid is dat de werkelijkheid zich in 3D aan ons toont (alhoewel, er bestaan tegenwoordig ook 3D films). De losse onderdelen – zowel in de film als in ons leven – komen wederom pas tot ogenschijnlijk bestaan wanneer we gebruik maken van concepten die we bovenop die ongebroken werkelijkheid, bovenop onze directe ervaring leggen.

Kun je je rol spelen zonder ermee geïdentificeerd te zijn? Kun je zien dat die ander ook maar een rol speelt – de rol die hem of haar op dat moment vanuit conditionering en overtuigingen het meest geschikt lijkt? Kun je voelen dat je onder die rollen die op dat moment gespeeld worden hetzelfde Zijn bent? Je speelt misschien de rol van klant en de ander van bediende, leraar en leerling, dader en slachtoffer, noem maar op. Ondertussen weet je dat je veel meer bent dan dat en dat dat ook voor de ander geldt. Dat jullie allebei buiten die specifieke setting gewoon ‘mens’ zijn, met alle normale en minder normale – of sociaal geaccepteerde en minder sociaal geaccepteerde – gedragingen en neigingen. De acteurs en actrices drinken ook gewoon gezellig samen koffie en maken een babbeltje achter de coulissen. Ze weten dat hoe ze op het toneel met elkaar omgaan en wat ze tegen elkaar zeggen niet echt is. Wederom, dat hoop ik tenminste. Waarmee ik zeker niet wil zeggen dat je altijd ‘leuk’ met elkaar om moet gaan. Soms moet je wellicht vrij hard je grenzen aangeven, jezelf verdedigen of jezelf verwijderen uit een situatie. Als mens is het op een praktisch niveau van nut dat je je positie bepaalt, dat je weet waar je staat. Je hoeft je alleen niet afgescheiden te voelen van het geheel, ook al weet je dat een bepaalde situatie om een daadkrachtige actie vraagt.

Alleen vanuit afgescheidenheid, vanuit identificatie met een bepaald afgezonderd ‘zelf’ kun je chemisch afval in de natuur dumpen of een ander mens de hersens inslaan voor je ego-belangen. Vanuit realisatie wat je in werkelijkheid bent, namelijk het geheel, wordt dat onmogelijk of op zijn minst bijzonder lastig om te doen. Wat voor nut heeft het dan dat we onszelf als afgescheiden ervaren en dat we geïdentificeerd raken met de rollen die we in feite slechts spelen? Of, anders gesteld: waarom is er een ‘ik’ en ‘de wereld’. Of nog anders gesteld: waarom is er dualiteit? Het antwoord is simpel: door deze vraag. De vraag is namelijk een uiting van de mind en die brengt de dualiteit – schijnbaar – tot bestaan. Schijnbaar, want we ervaren het totale spel pas als losse onderdelen wanneer het gefilterd wordt door het denken; in werkelijkheid is er alleen ongebroken, onbegrensd gewaarzijn. Het geloof in een afgescheiden zelf ís het afgescheiden zelf. De persoon of een rol is niet het probleem, maar de identificatie ermee; geloven dat je slechts een afgescheiden onderdeel bent is het probleem. De rollen kunnen gespeeld worden zonder identificatie ermee.

Beethoven’s laatste woorden zouden geweest zijn: “applaudisseert, vrienden, de komedie is voorbij!” Met andere woorden: er hoeven geen rollen meer gespeeld te worden. Dat is hoe ik die woorden interpreteer tenminste. Wat een bevrijding om niet meer in die komedie vast te zitten, te zien dat het slechts een komedie is. Maar daarvoor hoef je dus niet te sterven. Het enige wat nodig is om in te zien is dat jij niet de rollen bent die je speelt en de ander ook niet de rollen die hij of zij speelt. Bevrijding of ontwaken is eigenlijk niks anders dan inzien dat de mind het toneelstuk en de rollen die daarin gespeeld worden heel serieus neemt; dat het denken je doet geloven dat dat toneelstuk de werkelijkheid is. Ontwaken houdt in dat de identificatie, het geloof in de rollen eruit valt en dat het toneelstuk van een drama verandert in een komedie, omdat je inziet dat het niet de werkelijkheid is. Jij bent de werkelijkheid die naar de (soms tragi-)komedie kijkt. En naar een ego-mind die je probeert te doen geloven dat jij hem bent. Hoe kan dat nou niet grappig zijn?  © Ludo de Jongh