Oprechte communicatie

308 - CommunicatieVerschenen in Bres Magazine, maart 2018

Veel relaties zijn gebouwd op afgescheidenheid; een ‘ik’ hier en een ‘ik’ daar die met elkaar in verbinding proberen te zijn. Het afgescheiden ik, het ego leeft in een staat van onvervuldheid en heeft allerlei ideeën over hoe een relatie zou moeten zijn. Dat zorgt voor projectie; ik probeer dan een relatie te hebben met iets wat ik buiten mezelf projecteer. Met alle behoefte, verwachtingen en onoprechtheid van dien. Ik heb dan voornamelijk een relatie met mijn eigen ideeën over de ander in plaats van met de ander. In zo’n relatie kan er geen werkelijk samen-zijn bestaan, geen echte en oprechte communicatie. Er is dan hooguit communicatie tussen twee conditioneringen.

Het ‘ik’ kan eigenlijk per definitie niet eerlijk en oprecht zijn. De staat van onvervuldheid waarin hij leeft gaat gepaard met wantrouwen, controle, manipulatie. Om te verbinden met de ander denkt hij te moeten sturen, zodat er aan het beeld voldaan wordt wat hij van de relatie heeft. De ander is echter gewoon zoals hij of zij is en kan nooit aan dat beeld voldoen. Het ‘ik’ krijgt dus regelmatig reality checks; het wordt geconfronteerd met het feit dat liefde of vriendschap zich niet laat sturen.

Liefde is de afwezigheid van het ‘ik’ met al zijn belangen. Ego is verzet tegen liefde en het kan dus ook niet weten hoe liefde zich binnen een relatie zal manifesteren, omdat hij er de hele tijd met verwachtingen, ideeën en fantasieën tussen zit. Liefde is in simpele termen gewoon dat wat is en wat ik doe is die natuurlijke staat verstoren door mijn controledrang.

Liefde is al vervuld in zichzelf, en heeft het dus ook niet nodig dat ik als persoon oprecht of niet oprecht ben. Toch lijkt het er op een normaal menselijk niveau op dat oprechtheid tussen mensen de connectie tussen hen versterkt. Dat heb ik vaak genoeg ervaren in een voorgaande relatie. Ik merkte keer op keer dat mijn toenmalige vriendin zich het sterkst tot me aangetrokken voelde op de momenten dat ik open en eerlijk was, zonder defensiemechanismen en zonder de inmenging van de manipulatieve ego-figuur. Het zorgde er vaak voor dat de afstand die er daarvoor nog was tussen haar en mij in één klap overbrugd werd en er direct en intiem contact ontstond.

Al vrij jong leert een kind bepaalde patronen aan om te overleven, om ergens bij te kunnen horen, niet teveel af te wijken, bevestiging te krijgen. Maar we hebben allemaal onze schaduwzijde, onze donkere, minder leuke of ‘zwakke’ kanten. We zijn geneigd om te denken dat we die kanten moeten verbergen zodat mensen van ons houden. Maar mensen waarderen het uiteindelijk meer als je die kanten bloot durft te leggen. Wanneer ik laat zien wat er werkelijk in me omgaat, weten mensen dat ik oprecht ben en dat ze me dus kunnen vertrouwen. Ik hou mezelf niet verscholen, er is geen verborgen agenda. Ik laat mijn intenties, wensen, verlangens, angsten en emoties zien, het is ‘out in the open’.

Het communiceert dat ik zelf geen probleem maak van die dingen. Oprechtheid versterkt een gevoel van eigenwaarde. Liegen, zaken verdraaien, dingen verzwijgen en dergelijke holt dat besef van eigenwaarde juist uit. Het verschil tussen die twee kan ik voelen. Wanneer ik oprecht ben, voel ik me sterk, waarachtig, in lijn met wie ik in essentie bent. Tegelijk geeft het de ander ook de ruimte om zich te laten zien zoals hij of zij is. Als ik geen houding aanneem, hoeft de ander dat ook niet te doen.

Het ‘ik’ gelooft iets te bereiken door zich te verschuilen, door manipulatie en controle maar werkt alleen maar de patronen bij de ander in de hand die hij eigenlijk niet wilt. Doordat ik niet oprecht ben, versterk ik alleen maar wantrouwen en afstand bij de ander. Ego is bang om de ander kwijt te raken door oprecht te zijn, maar raakt de ander juist veel eerder kwijt door het tegenovergestelde.

Relaties en liegen gaan niet goed samen. Maar uiteraard is er altijd een goede reden te verzinnen om niet oprecht te zijn. Iets gedaan willen krijgen, mijn zin krijgen, liever aardig gevonden willen worden dan de waarheid vertellen… Ook kan ik mezelf voorhouden dat iets beter is voor de ander, terwijl het in werkelijkheid vooral beter is voor mezelf.

Oprechtheid en kwetsbaarheid kan gemakkelijk weer verworden tot een houding, een manipulatieve rol. Dan sta je evenmin op de ‘plaats’ waar je werkelijk bent. Je voelt het, je weet het wanneer je in lijn bent met wie jij bent en van daaruit communiceert. Oprecht communiceren wil trouwens niet zeggen dat je altijd alles vertelt wat er in je omgaat. Het gaat erom vanuit welke ‘plek’ je iets wel of niet vertelt. Communiceer je vanuit het ‘ik’ met al zijn maniertjes of vanuit waarheid?

Waarachtig zijn laat mensen ontspannen; ze weten dat ze van me op aan kunnen. En het belangrijkste is dat ik zelf weet en ervaar dat ik echt bent, dat ik trouw ben aan mezelf, aan datgene wat waar is voor mij. Daardoor ben ik in de eerste plaats leuk voor mezelf. De behoefte dat iemand anders me leuk, aantrekkelijk of aardig vindt, wordt daarmee van secundair belang. Ik voel me vanuit zelfliefde sterk genoeg om het ook prima te vinden als iemand niet (meer) bij me wil zijn. Ik hou dan meer van waarheid dan van bevestiging.

Jezelf zijn en daar oprecht uitdrukking aan geven is de grootste gift die je aan jezelf en de ander kunt geven. En als die ander het niet waardeert dat jij jezelf laat zien, dan is het misschien ook beter om geen relatie met die persoon te hebben. Wat is een relatie waarin je niet jezelf kunt zijn, waarin jij niet mag zijn wie je bent?

Het is uiteindelijk alleen de ‘ik’ die niet oprecht is, omdat die van alles nodig denkt te hebben van een ander. Wanneer er geen onvervuldheid is, hoeft een ander niet gemanipuleerd te worden. Er is dan niets te vrezen in relatie met een ander. Wanneer identificatie met een afgescheiden ‘ik’ uit de weg is, kan er werkelijke communicatie en samenvloeiing ontstaan. Er ontstaat dan een geven en ontvangen, een uitwisseling van energie, gevoelens, interesses, humor, gedachten. Een spontaan delen in de vreugde van het bestaan.  © Ludo de Jongh

Door de poort – sterven om te leven

307 - Door de poortVerschenen in Bres Magazine, januari 2018

The gate is straight, deep and wide; break on through to the other side ~ Jim Morrison

Veel mensen geloven op een pad richting bevrijding te zitten. Maar in werkelijkheid is er geen pad en het kan dus ook nergens naartoe leiden; het lijkt alleen een pad te zijn vanuit het oogpunt van de spirituele zoeker. Tegelijkertijd is er geen ontsnappen mogelijk aan datgene waar naar gezocht wordt. Je komt vroeg of laat, laten we zeggen, op een soort kantelpunt waarop je niet anders meer kunt dan opgaan in het leven. Om te zeggen dat je daar komt, klopt trouwens niet helemaal want er is geen komen of gaan. Het kantelen gebeurt in hetzelfde nu als waarin je je nu bevindt; er is maar één nu, er is alleen maar tijdloosheid. Opgaan in het leven gebeurt wanneer het schijnbaar afgescheiden ‘ik’ sterft. Anders gezegd: op het moment dat het geloof in een niet werkelijk bestaand ik met de bijbehorende verkrampte energieformatie in het lichaam wegvalt, is er Leven, openheid, vrijheid. En leven is simpelweg dat wat is.

Oplossen in dat wat is, is als door een poort gaan die toegang geeft tot alles en niets tegelijk. Dat wat is, is tegelijkertijd volheid en leegte. Beweging en stilte. Dit is de ultieme paradox van het leven. Nisargadatta Maharaj zei: ‘Weten dat ik niets ben is wijsheid. Weten dat ik alles ben is liefde. Tussen die twee beweegt het leven zich.‘ Het is onvermijdelijk om bij die schijnbare toegang tot alles en niets uit te komen en erachter te komen dat er geen poort is. Het is geen opening ergens naartoe, maar openheid zelf. Je komt nergens vandaan en gaat nergens heen. In plaats van een stap ergens naartoe, is dit eerder een stap op de plaats. Het idee van een poort ergens heen, van een pad, een proces en een moment van bevrijding ergens in de tijd, bestaat enkel in de beleving van de zoeker, van het individu dat zich afgescheiden waant van de totaliteit. In feite is er geen pad, geen proces, geen tijd, geen poort en uiteindelijk ook geen zoeker. Je loopt eigenlijk altijd al voortdurend rond in de open, oneindig uitgestrekte niet-poort die het leven zelf is. De poortloze poort, zoals die in bepaalde Zen-geschriften wel genoemd wordt. Het verschil tussen de gevangenis of de droomstaat van het ik en bevrijding is dat in bevrijding gezien wordt dat je altijd al de openheid zelf geweest bent. Nogmaals, de gevangenis bestaat alleen in de beleving van het ik dat zich afgescheiden voelt van het leven; de verkrampte beleving een afgescheiden ik te zijn ís de gevangenis. Het individu is dus de illusie maar toch wordt afgescheidenheid als werkelijk ervaren. De droom heeft nogal wat zwaartekracht.

‘Ik’ lijkt een soort verstolling van iets wat vloeibaar is. Het statisch maken van wat dynamisch is, zo je wilt. Een toe-eigening van bewegingen, gedachten, gevoelens, sensaties, die op zich van niemand zijn; ze verschijnen ergens in en zijn volledig vrij en onpersoonlijk. De ik claimt vervolgens die bewegingen en maakt ze tot objecten. Door middel van taal worden er concepten aan de verschijningen gehangen en ontstaat er ogenschijnlijk een ik en een wereld, ik en de anderen, ik en objecten, etcetera. Ook energetisch ontstaat er zo een vaste, afgescheiden formatie die rondloopt in die wereld en die er bijna voortdurend mee in strijd is. Sommige dingen moeten namelijk weg en andere dingen (of mensen, gevoelens, situaties, enzovoorts) moeten erbij. ‘Ik’ wil controle over het leven, zodat het dingen naar zijn hand kan zetten, maar raakt keer op keer gefrustreerd omdat het leven zich niet laat dwingen. Het individu leeft dus in een staat van bijna constante onvervuldheid, met korte periodes van relatieve tevredenheid, schijnveiligheid of extatische hoogtepunten.

Zo leven we in schijnbare afscheiding. Totdat ingezien wordt dat juist die beleving, het geloof een ik te zijn de storende factor is. Dan opent zich de mogelijkheid om het voor de hand liggende te zien: het leven is onvoorspelbaar en controle is een illusie. Het ik is bang voor het onbekende maar tegelijk is er een onstilbaar verlangen naar. Om op te gaan in het onbekende, beseft het ik dat het zelf moet sterven. Wat bekend leek en gekend werd, blijkt een illusie. Het waren alleen maar concepten die op de wonderlijke, niet met het verstand te kennen werkelijkheid geplakt werden. De poort van het onbekende, van het leven opent zich en de mogelijkheid om er doorheen te gaan presenteert zich. In de woorden van Aldous Huxley: ‘There are things known and there are things unknown and in between are the doors of perception.’ Eenmaal erdoor is er uiteraard niemand meer die erdoor heen ging. Die is opgelost in het leven. In meer religieuze termen: de eenwording van de mysticus met God is meteen het einde van de mysticus. Game over. Eenmaal door de poort, is er ook geen poort meer.

Het leven is altijd dat wat is: hier, nu, dit. Daarin oplossen, is bevrijding. Wat wegvalt is het geloof een afgescheiden ik te zijn en de onvrije, verkrampte lichamelijke beleving die daarmee gepaard gaat. Bevrijding is zien dat er alleen maar leven is, en geen ik die een leven heeft. Het geloof in eigendom valt weg; wat voorheen geclaimd werd, waar een ik uit samengesteld werd, wordt nu ervaren als vrij stromende energie. Je loopt ogenschijnlijk de gevangenis van het ik uit, zonder enige moeite of inspanning, en opeens is daar vrijheid, leven, nu-heid, nieuwheid, licht. Alles is nieuw en aanwezig en heeft een bepaalde kwaliteit van oorspronkelijkheid en levendigheid in zich. Alle objecten, mensen, gedachten, gevoelens, sensaties, situaties verschijnen en verdwijnen in het licht van het tijdloze nu en alles ís dat licht; alles bestaat uit hetzelfde Zijn.

Het leven is complete chaos. Alles is mogelijk om in de ruimte van nu te verschijnen. Chaos betekent in de Griekse mythologie leegte; de leegte waarin alles valt, zonder richting of oriëntatie. Het leven is onverwoestbaar, maar verwoesting van levensvormen vindt plaats. Dat geldt ook voor mijn lichaam-en-geest. Er komt een moment, wat overigens exact dezelfde ‘gevoelsruimte’ zal zijn als waarin ik me nu bevind, waarop dit lichaam zal sterven. Wanneer werkelijk ingezien wordt dat het lichaam sterfelijk is en dat de ik die je ‘erin’ ervaart, niet echt bestaat, is er bevrijding. Zoals in de film Fight club wordt gezegd: ‘First you have to give up. First you have to know, not fear, know that one day you are going to die.’ Dan zie je dat jij het leven zelf bent. Vrij stromende en chaotische energie die nergens heen gaat en nergens vandaan komt. Krom uitgedrukt: je komt tot leven, nadat je gestorven bent, nadat ingezien is dat er geen ‘je’ is. Of anders gezegd: het leven is er in volle glorie wanneer het niet langer gefilterd wordt door het scherm van het afgescheiden ik. Echte koffie is lekkerder dan filterkoffie, toch?

Vóór bevrijding is er als het ware een horizontale beleving, als we het ons even visueel voorstellen. Je hebt het gevoel dat je leven zich voortbeweegt op een soort tijdlijn, met voor en achter, verder en terug. Wanneer bevrijding plaatsvindt, lijkt het alsof er iets kantelt en is de beleving opeens meer verticaal. Er is alleen nog maar ‘hier’, geen ‘daar’ meer. Er is alleen nog maar ‘nu’, geen ‘later’ meer. Een directheid, een intimiteit met al wat is en een onontkoombaarheid aan wat is, wordt duidelijk. De tijdgerichte, tijdsgebonden ik die je dacht te zijn is er niet meer en je ziet dat die er eigenlijk nooit geweest is. Je was doodsbang voor je eigen afwezigheid, terwijl die afwezigheid juist zo fijn blijkt te zijn. Je was op zoek naar iets – vervulling, geluk, liefde, noem het maar – en nu is het alsof je gevonden wordt door iets wat naar jou op zoek was. Je ontsnapte er schijnbaar lange tijd aan juist door ernaar te zoeken! Nu neemt het je in de armen en besef je dat je poging om het te vinden het nou net bij je weg hield. Doors-zanger Jim Morrison schrijft ergens in zijn poëzie: ‘We’re reaching for death on the end of a candle. We’re trying for something that’s already found us.’ Juist door het uitreiken, het zoeken naar iets specifieks verschuilen we ons voor wat hier nu al is. Wederom, paradoxaal.

Dit zijn uiteraard allemaal maar woorden. We gebruiken taal om iets uit te drukken wat volledig buiten taal ligt. In andere woorden: we gebruiken juist datgene wat de werkelijkheid verdeelt om de werkelijkheid te beschrijven die niet te verdelen valt. De werkelijkheid is één naadloos, ononderbroken, eindeloos geheel. Taal lijkt die eenheid te verdelen in losse onderdelen. En omdat taal het middel is om een boodschap te communiceren, gaan we automatisch geloven in de concepten van scheiding en tegengestelden die – wellicht heel subtiel – door taal gecreëerd worden: ergens vandaan, ergens naartoe, een poort, bevrijding, verticaal, horizontaal, ik en de ander, ik en de wereld, etcetera. Maar vrijheid, leven, energie of hoe we het onnoembare ook noemen, valt niet te begrijpen met het verstand en valt zeker niet op te delen in stukjes. Daarom is het eigenlijk absurd om een onderdeel van het geheel (het menselijk verstand en de menselijke taal) te gebruiken om het geheel te beschrijven. Conceptuele kennis is wat anders dan wijsheid. Daarom misschien zei Socrates: ‘De enige ware wijsheid ligt in het weten dat je niets weet.’

Bevrijding gaat niet om kennis of woorden, maar om beleving, ervaren, sensen. Bevrijding, zou je kunnen zeggen, is een radicale verschuiving of kanteling in beleving en perceptie. Wat je waarneemt en wat je ervaart en voelt blijft hetzelfde, maar hoe je het waarneemt, ervaart en voelt, verandert compleet. De Engelse dichter William Blake schreef: ‘If the doors of perception were cleansed, everything would appear to man as it is: infinite.’ De oneindige natuur van alles wordt duidelijk wanneer de perceptie of de ‘gevoelswaarneming’ radicaal verschuift. In die ‘nieuwe’ – in feite tijdloze – perceptie wordt helder dat er geen losstaand ik is of zelfs ook maar ooit geweest is. Je weet het wanneer ontwaken gebeurt, het wordt herkend zodra het er is. Er is namelijk een herinnering aan de oorspronkelijke staat van Zijn. Daarom hoef je je ook niet druk te maken over bevrijding; het ‘komt’ wanneer ‘jij’ er klaar voor bent. Of beter gezegd: wanneer de jij die iets wil vinden, bereiken, begrijpen – wellicht uitgeput van het zoeken – ineenstort, is Dat wat overblijft: vrijheid, leven, freeflow. Er is een verhoogd besef van levendigheid, alsof de dimmerknop omhoog gedraaid is; de wereld lijkt meer tot leven te zijn gekomen. Het mysterie, het wonder van het leven wordt geleefd en de behoefte om het mentaal te begrijpen valt weg. Vragen over het waarom vallen weg. En de cosmic joke van een zoeker die op zoek was naar vervulling en overal zocht behalve in wat het meest voor de hand liggend is, wordt gezien. Onvermijdelijk brengt dat een lach, stilletjes of hardop.  © Ludo de Jongh

Radicale confrontatie met jezelf

confrontatieVerschenen in Bres Magazine, november 2017

Er zijn maar weinig benaderingen van spiritualiteit die zo radicaal zijn als non-dualiteit. Dat blijkt ook wel in mijn eigen leven. Als je eenmaal met non-dualiteit in aanraking bent gekomen en de waarheid ervan dringt werkelijk tot je door, dan kan het alle vaste grond onder je vandaan slaan om plaats te maken voor een ruimere en directere beleving. Dat wil zeggen, dat je stukken die voorheen weggestopt waren, nu gewoon ten volle aan durft te kijken, te voelen en te ervaren. De realisatie van non-dualiteit kan er op praktisch niveau voor zorgen dat je als mens als een geheel in deze wereld gaat functioneren, waarbij er geen delen van dat geheel ontkend of gladgestreken worden.

Pas jaren nadat ik met non-dualiteit in aanraking gekomen was, begon het eindelijk op me in te werken. Het was als een virus, dat tijd nodig had om me te pakken te krijgen. Ik had erover gelezen, satsangvideo’s gezien en lezingen bijgewoond, erover gepraat en ook het één en ander ervaren: momenten van ontwaken, inzichten, gevoelens die zich toonden. Maar het duurde lang voordat ik echt de confrontatie aan begon te gaan met wat er in me leefde: destructieve gedachtepatronen die zichzelf al jarenlang herhaalden en gevoelens die al decennia lang vastgehouden, onderdrukt en meegezeuld werden. Gevoelens van afgewezenheid, gekwetstheid, verdriet, boosheid, frustratie, jaloezie, angst, noem maar op. Vooral afwijzing bleek een sterk terugkomend thema in mijn leven. Afgewezen door mijn ouders, vriendinnen, docenten, collega’s, vrienden, vreemden. Vooral intieme relaties waren (uiteraard) een bron van veel afgewezenheid. Toen dat gevoel niet langer onderdrukt werd, leek het wel een explosie van pijn, maar ook van vreugde, van bevrijding. Alles is energie en die energie kan vastzitten, maar die kan zich ook bevrijden. Grappig wel trouwens, dat ik me zo vaak afgewezen voelde door anderen, terwijl ikzelf dat gevoel dan weer keer op keer afwees. Ironisch. Was ik het niet al die tijd al zelf, die mij afwees?

Non-dualiteit, of Advaita in het Sanskriet, de oude taal van India, verwijst naar het feit dat op het meest fundamentele niveau de werkelijkheid één geheel vormt, ofwel dat er geen afgescheidenheid bestaat. Advaita betekent letterlijk ‘niet-twee’. Dat gaat meteen al heel ver, want ervaren we onszelf niet als losstaand van de wereld, van de ander? Ik ben toch een mens, een op zichzelf staand iemand, en de wereld is toch buiten me? De werkelijkheid mag dan op het diepste niveau ongebroken zijn, maar als ik het leven niet zo ervaar, wat heb ik dan aan die wetenschap? Niks dus. Zolang er hele menselijke, duale dingen zitten te wringen, moet ik mezelf daarmee confronteren in plaats van me een non-duaal verhaal eigen proberen te maken, die als een soort deken over mijn beleving komt te liggen. En dat gebeurt veel meen ik. Je kunt je het verhaal wel eigen maken, maar de beleving zelf kun je op die manier niet forceren. De non-duale beleving ‘ontstaat’ door te zijn met wat is. Ook voor mij was de herkenning van de waarheid van non-dualiteit een eye-opener die ironisch genoeg mijn ogen jarenlang sloot voor stukken in mijn duale, aardse beleving.

Totdat het kwartje gevallen is, het inzicht ingedaald is, en ook daarna nog, hebben we gewoon te dealen met de werkelijkheid zoals we die beleven. Het is bijvoorbeeld heel mooi om te weten dat ik niet afgescheiden ben van die ander en dat ik dus ook niks van hem of haar nodig heb, maar als ik wel verlangen en behoeftigheid ervaar, is dát wat er is, is dát waar ik mee om te gaan heb. Om mezelf dan voor de gek te houden door mezelf te vertellen dat ik in essentie één ben met de ander, creëert een schizoïde toestand in mezelf, waarbij ik me voorhoud niet-afgescheiden te zijn maar me wel afgescheiden voel. Gevoelens van afgescheidenheid blijven bestaan, zelfs nadat ingezien is dat de werkelijkheid één geheel is. En wellicht zullen die gevoelens de rest van je leven op blijven komen. Is dat erg? Wat is er mis met een gevoel?

Het werkelijke probleem zijn eigenlijk niet de gevoelens, maar de weerstand ertegen. De beleving van afgescheidenheid bestaat in feite door de weerstand tegen voelen, door het vasthouden of onderdrukken van gevoelens, die uit zichzelf gewoon vrij willen stromen. Waar is namelijk de afgescheidenheid te vinden als ik mezelf toesta me boos, verdrietig, jaloers, vervreemd of wat dan ook te voelen? Waar is de grens tussen mij en het gevoel? Een grens is er alleen maar als er een muur van weerstand is. Er is alleen afgescheidenheid als ik het gevoel buiten mezelf plaats, zeg dat dat gevoel er niet zou moeten zijn of dat het anders zou moeten zijn. Anders is het simpelweg mijn beleving op dat moment. Zelfs als ik helemaal overgenomen word door een gevoel van eenzaamheid, vervreemding, teruggetrokkenheid, dan is er toch een volledig samenvallen met die beleving mogelijk? En daarna komt er weer een ander gevoel of een andere stemming voor in de plaats. Zo gaat dat je hele leven door eigenlijk. In weerstand zit een sterk element van afwijzing. Niet voor niks dat dat zo’n sterk thema bleek in mijn leven. En dat geldt voor veel mensen geloof ik. De overtuiging dat we niet goed zijn zoals we zijn, zit vaak erg diep. Afgescheidenheid is dan ook veel meer dan alleen een overtuiging; het is vooral een energetisch-lichamelijk gevoeld fenomeen.

Het enige wat dus in de weg zit, is een weerstandsmechanisme, dat ons afscheidt van wat er is. Dat is identificatie, ego: jezelf gelijkstellen met het afgescheiden ik dat je denkt te zijn. Weerstand tegen wat is, scheidt je automatisch af van wat is en maakt je dus tot een identiteit, een ego, een losstaand ding. Wanneer je jezelf tot een ding maakt, maak je al het andere ook tot een ding. Door de weerstand lijkt er tweedeling te zijn, conflict, afgescheidenheid. Ik zeg expres ‘lijkt’ want vanuit het geheel gezien is die afgescheidenheid ook onderdeel van het geheel. Met andere woorden, de menselijke beleving van afgescheidenheid, die zich in ons aardse bestaan gewoon heel reëel en voelbaar manifesteert, is niet afgescheiden van heelheid. Als je heelheid, of de complete werkelijkheid ziet als eindeloze energie, dan is er binnen die eindeloosheid ook verkrampte, vastgehouden energie mogelijk. Weerstand tegen wat is, is het ego. Meer is het eigenlijk niet. Ego is ook energie. We beleven het als een beweging of een kracht die bestaat uit nee zeggen tegen wat is, afhouden, forceren, controle, en dergelijke. Binnen de totale energie, is het een energie die verkrampend, verlammend en aanspannend werkt, met alle bijkomende gedachten over verleden en toekomst. Ego is de vasthouder en de afhouder, de klamper en de onderdrukker. Er is an sich niks mis mee, zolang je je maar bewust bent van hoe het werkt en wat het teweeg brengt.

Natuurlijk is de beleving van eenheid of openheid prettiger en natuurlijker dan de beleving van afgescheidenheid. Maar daar kan alleen iets in verschuiven, wanneer ook die schijnbaar afgescheiden stukken zich in volle glorie mogen tonen. Het zijn vaak delen van onszelf die jarenlang weggestopt zijn, afgewezen, afgekeurd en zo hebben ze zich nooit kunnen bevrijden. Zo blijf ik een gefragmenteerd persoon, versplinterd met bepaalde delen die de voorkeur krijgen boven andere. Nou gaat non-dualiteit er niet over om als persoon heel te worden, want op het meest fundamentele niveau van werkelijkheid waar non-dualiteit naar verwijst is de persoon niet-bestaand, maar totdat dat gerealiseerd is, zullen er nog stukken bevrijd moeten worden die niet ‘meestromen’ met de non-duale beleving. Daarvoor is veel moed en interesse nodig en wellicht ook hulp van iemand die op deskundige manier mee kan kijken naar wat er in en om je heen gebeurt. De gevoelens van afgescheidenheid kunnen heel diep in het lichaam opgeslagen liggen. Om die gevoelens, die vaak heftig zijn, weer te gaan voelen, moeten we erg dapper zijn. Daarvoor is een soort ‘spirituele krijger-mentaliteit’ vereist. Het is geen pretje om traumatische en onverwerkte gevoelens werkelijk omhoog te laten komen. De weerstand is niet voor niks in actie gekomen om die gevoelens te onderdrukken. Ze waren te heftig toen we een kind of puber waren. Nu we volwassen zijn, zijn we echter wel in staat om ze te voelen, dus het is veilig genoeg om ze uit te nodigen.

Waarom zijn we zo bang om te voelen? We zijn bang overweldigd te worden wanneer we onszelf toestaan om onplezierige gevoelens te gaan voelen. Maar het enige dat overspoeld zal worden is datgene wat zijn identiteit ontleent aan weerstand bieden tegen diezelfde gevoelens, het ego. Die weerstand had zijn functie toen we klein waren, maar als volwassenen zijn we in staat om toe te laten wat vroeger niet gevoeld kon worden. Wat ik in essentie ben – Bewustzijn, om het een naam te geven – kan niet overweldigd worden en het lichaam zal ook niet gemakkelijk overweldigd worden. Geen enkel gevoel is te groot of te heftig om gevoeld te worden. Je lichaam is daar gewoon geschikt voor, alhoewel gevoelens heel heftig kunnen zijn, zeker nadat ze jarenlang door onderdrukking ondergronds hebben geleefd. De bevrijding komt pas nadat een gevoel de ruimte heeft gekregen. Vergelijk het met een metalband die een uur in je woonkamer op volle sterkte komt spelen terwijl jij erbij zit tegen je zin in. Na dat uur ben je opgelucht dat ze de deur weer uit gaan. Alhoewel, het kan ook zijn dat je zelfs van het lawaai van de gevoelens gaat houden. Dat was in ieder geval mijn ervaring, toen ik vertrouwd raakte met het toelaten van heftige gevoelens. Houden van de bevrijding als een gevoel weer een poosje verdwijnt is makkelijk; houden van de gevoelens zelf, vereist enige oefening en heel veel bereidheid. Ik geloof dat je er op de één of andere manier ‘klaar’ voor moet zijn om ze te gaan voelen en er klaar mee moet zijn om ze te onderdrukken. Daarom duurde het denk ik bij mij ook zo lang voordat ik ze echt onder ogen kon komen. Je moet blijkbaar genoeg geleden hebben onder de weerstand, zodat er voldoende kracht en bereidheid beschikbaar is om de confrontatie aan te gaan met wat er in je leeft.

Waar we werkelijk naar verlangen – vrede, liefde, vreugde, een besef van eenheid – ligt te wachten onder alle gevoelens die vastgehouden en tegengehouden worden door de weerstand. Wanneer de gevoelens vrij door het lichaam kunnen stromen, is er op gevoelsniveau een beleving van niet-afgescheidenheid. Tot die tijd is er weerstand, is er dualiteit tussen mij en mijn gevoelens, tussen mij en de ander, tussen mij en de wereld. De weerstand tegen gevoelens is eigenlijk dezelfde weerstand als tussen mij en de wereld en tussen mij en de ander. Er is eigenlijk dus maar één probleem: weerstand tegen of afwijzing van wat is. Maar dat probleem is geen probleem meer op het moment dat het gezien wordt voor wat het is en hoe het werkt. Dan wordt namelijk gezien dat de weerstand me niet beschermt, maar juist pijn bezorgt, meer pijn dan de oorspronkelijke pijn waar hij me tegen probeert te beschermen. Dan kan alles zich manifesteren, ook die gevoelens die er in naam van die vasthouder, afhouder, klamper en onderdrukker niet mochten zijn. Langzaam maar zeker kunnen ze zich dan bevrijden.  © Ludo de Jongh

De mens en zijn toneelstuk

De mensVerschenen in Bres Magazine, september 2017

All the world’s a stage and all the men and women merely players ~ William Shakespeare

Het leven in deze wereld is een toneelstuk en we kunnen niet anders dan de rollen spelen die we te spelen hebben. Wel is het mogelijk om in te zien dat we die rollen slechts spélen, dat ze ons niet definiëren. Er is een groot verschil tussen iets spelen en denken datgene te zijn wat je speelt. Een acteur weet dat hij slechts de rol speelt die hem toebedeeld is in het toneelstuk en dat hij ondertussen gewoon zichzelf is. Dat hoop ik tenminste voor de acteurs en actrices. De wereld is een podium; het leven in deze wereld een toneelstuk; de wakkere mens, de mens die zich bewust is van zijn of haar werkelijke aard ziet dat en neemt het niet te serieus. Niet dat ik nou altijd zo ‘wakker’ ben overigens; ik verlies me nog regelmatig in identificatie.

We spelen dagelijks verschillende rollen: de rol van werknemer, wandelaar, moeder, klant, reiziger, spreker, luisteraar, noem maar op. Elke nieuwe situatie is weer een nieuw toneelstuk, een nieuwe opstelling. Telkens is er weer de verleiding die op de loer ligt om je te gaan identificeren met de rol die je slechts speelt. En dan is er misschien ook een bepaalde rol waaraan je je identiteit ontleent, meer dan aan de andere rollen die je speelt: schrijver, docent, werkloze, etcetera. Opvallend is het wel dat onze identiteit vaak ontleend wordt aan de functie die we vervullen in de maatschappij. Maar dat even terzijde.

We spelen onze rollen in het toneelstuk en raken misschien meer geïdentificeerd met een rol dan we zouden willen. En we hechten wellicht meer belang aan het toneelstuk dan we zouden willen. Maar stel jezelf eens de vraag: waarin vindt het toneelstuk plaats? Wie of wat is het die ziet dat het toneelstuk plaatsvindt? Gewaarzijn, om het een naam te geven, en dat is dus eerder een ‘wat’ dan een ‘wie’; het is geen persoon, het is niet één van de spelers. Gewaarzijn – of hoe we het onnoembare ook willen noemen – ziet het hele gebeuren: het podium, de rollen, het verhaal dat verteld en uitgebeeld wordt. Het hele toneelstuk verschijnt aan gewaarzijn, verschijnt er in. Elke acteur is in essentie datzelfde gewaarzijn, vermomd als een iemand, als een persoon. Een toespitsing of een focuspunt van gewaarzijn, zouden we kunnen zeggen.

Het is al vaak gezegd in spirituele literatuur dat het Griekse woord persona ‘masker’ betekent, maar ik doe het bij deze nog maar een keer. De persoon verschilt niet erg van de acteur: beide vormen ze slechts een masker, een maskering of versluiering van wat er werkelijk aanwezig is voorbij of voorafgaand aan de identificatie met het specifieke masker. Er is eigenlijk niemand thuis achter dat masker – er is geen individueel, afgescheiden ‘ik’ aanwezig in die body-mind – maar elke acteur of persoon doet alsof er wel iemand is. Dat hoort namelijk bij het spelletje. Het ene poppetje heet anders dan het andere en heeft andere kenmerken, maar in werkelijkheid is er hetzelfde gewaarzijn aanwezig in en achter die schijnbare figuren. Alleen dat gewaarzijn verdient werkelijk de naam ‘ik’ want als je alles weghaalt wat bedacht of verzonnen is over jezelf, is dat het enige wat er overblijft. Maar die ‘ik’ is dus geen persoonlijke ‘ik’.

Het wonderlijke is dat die ‘ik’ exact hetzelfde is – geen duplicaat, maar één en hetzelfde – in wat ik ‘de ander’ noem. Ook zijn of haar essentie, als alles wat bedacht is – overtuigingen, ideeën, zelfdefinities, etcetera – weggehaald is, is gewaar-zijn – Zijn dat gewaar is van zijn eigen bestaan en alles wat daarin verschijnt. Heel krom gezegd, zijn ‘we’ dus in die ‘plek’ die we voor het gemak even gewaarzijn noemen, ‘één’. Datgene waar jij ‘ik’ tegen zegt – het meest fundamentele en meest intieme besef van wie of wat jij bent – is dezelfde ruimtelijkheid, onbegrensdheid, dezelfde stille aanwezigheid waar ik ‘ik’ tegen zeg. In die onbegrensdheid zijn we dus niet verbonden met elkaar, maar is er geen ‘we’; er is alleen maar ‘dat’ – het onnoembare. Op dat diepste (of hoogste, maar net hoe je het bekijkt) niveau bestaan het podium, de rollen en het verhaal in het toneelstuk dus ook niet als afzonderlijke delen van een geheel. Dat alles vindt plaats in hetzelfde geheel, de lege en toch levendige ruimte van gewaarzijn.

Wanneer je je ogen dicht doet, en je vraagt je af: waar ben ‘ik’ nu, waar is ‘ik’ nu te vinden? Wat ontdek je dan? Ik ben hier, al is ‘hier’ niet een plek ergens in de ruimte, hier ís de ruimte. Zijn er grenzen aan ‘mij’, aan hoe ik mezelf ervaar? De grenzen die ik waarneem als ik naar mijn lichaam kijk – voornamelijk de huid dus in feite – zijn die er wanneer ik mijn ogen sluit en voel waar ik ben en welke ruimte ik inneem? Nee! Je voelt sensaties, ook weer ‘ergens’ in diezelfde ruimte, maar niet op een bepaalde plek. Je weet wel dat een bepaalde sensatie in je arm of in je buik zit, maar de concepten arm of buik hebben geen betekenis in die onbegrensde, ondefinieerbare ruimte. Als je je ogen open doet, verschijnen alle dingen ook gewoon in diezelfde ruimte trouwens. In je directe visuele ervaring zijn de dingen ook niet te lokaliseren. Wel als we het verstand gaan gebruiken om locaties aan te duiden; om hoogte, breedte, diepte en dat soort zaken toe te kennen. Dat is prima om te doen, het is alleen goed om te beseffen dat het het menselijke verstand is dat dat soort concepten op de werkelijkheid legt. In werkelijkheid bestaan ze niet, ze worden door ons aan de realiteit gekoppeld.

Kun je zien, kun je ervaren dat wat je waarneemt in je gezichtsveld, zich in dezelfde ruimte bevindt als waarin jouw lichaam zich bevindt? Dat die ‘ander’ die je ziet, in hetzelfde veld beweegt als waarin ‘jij’ je beweegt? En is er niet gewoon één ‘ervaren’ van het hele gebeuren, van ‘jezelf’, de ander, de ruimte en alles wat erin is? Het is één geheel, één happening, je ervaart geen losse onderdelen. We kunnen het vergelijken met een film op een scherm: je neemt alles waar op hetzelfde scherm, het is één beeld. Het enige verschil tussen die film en de werkelijkheid is dat de werkelijkheid zich in 3D aan ons toont (alhoewel, er bestaan tegenwoordig ook 3D films). De losse onderdelen – zowel in de film als in ons leven – komen wederom pas tot ogenschijnlijk bestaan wanneer we gebruik maken van concepten die we bovenop die ongebroken werkelijkheid, bovenop onze directe ervaring leggen.

Kun je je rol spelen zonder ermee geïdentificeerd te zijn? Kun je zien dat die ander ook maar een rol speelt – de rol die hem of haar op dat moment vanuit conditionering en overtuigingen het meest geschikt lijkt? Kun je voelen dat je onder die rollen die op dat moment gespeeld worden hetzelfde Zijn bent? Je speelt misschien de rol van klant en de ander van bediende, leraar en leerling, dader en slachtoffer, noem maar op. Ondertussen weet je dat je veel meer bent dan dat en dat dat ook voor de ander geldt. Dat jullie allebei buiten die specifieke setting gewoon ‘mens’ zijn, met alle normale en minder normale – of sociaal geaccepteerde en minder sociaal geaccepteerde – gedragingen en neigingen. De acteurs en actrices drinken ook gewoon gezellig samen koffie en maken een babbeltje achter de coulissen. Ze weten dat hoe ze op het toneel met elkaar omgaan en wat ze tegen elkaar zeggen niet echt is. Wederom, dat hoop ik tenminste. Waarmee ik zeker niet wil zeggen dat je altijd ‘leuk’ met elkaar om moet gaan. Soms moet je wellicht vrij hard je grenzen aangeven, jezelf verdedigen of jezelf verwijderen uit een situatie. Als mens is het op een praktisch niveau van nut dat je je positie bepaalt, dat je weet waar je staat. Je hoeft je alleen niet afgescheiden te voelen van het geheel, ook al weet je dat een bepaalde situatie om een daadkrachtige actie vraagt.

Alleen vanuit afgescheidenheid, vanuit identificatie met een bepaald afgezonderd ‘zelf’ kun je chemisch afval in de natuur dumpen of een ander mens de hersens inslaan voor je ego-belangen. Vanuit realisatie wat je in werkelijkheid bent, namelijk het geheel, wordt dat onmogelijk of op zijn minst bijzonder lastig om te doen. Wat voor nut heeft het dan dat we onszelf als afgescheiden ervaren en dat we geïdentificeerd raken met de rollen die we in feite slechts spelen? Of, anders gesteld: waarom is er een ‘ik’ en ‘de wereld’. Of nog anders gesteld: waarom is er dualiteit? Het antwoord is simpel: door deze vraag. De vraag is namelijk een uiting van de mind en die brengt de dualiteit – schijnbaar – tot bestaan. Schijnbaar, want we ervaren het totale spel pas als losse onderdelen wanneer het gefilterd wordt door het denken; in werkelijkheid is er alleen ongebroken, onbegrensd gewaarzijn. Het geloof in een afgescheiden zelf ís het afgescheiden zelf. De persoon of een rol is niet het probleem, maar de identificatie ermee; geloven dat je slechts een afgescheiden onderdeel bent is het probleem. De rollen kunnen gespeeld worden zonder identificatie ermee.

Beethoven’s laatste woorden zouden geweest zijn: “applaudisseert, vrienden, de komedie is voorbij!” Met andere woorden: er hoeven geen rollen meer gespeeld te worden. Dat is hoe ik die woorden interpreteer tenminste. Wat een bevrijding om niet meer in die komedie vast te zitten, te zien dat het slechts een komedie is. Maar daarvoor hoef je dus niet te sterven. Het enige wat nodig is om in te zien is dat jij niet de rollen bent die je speelt en de ander ook niet de rollen die hij of zij speelt. Bevrijding of ontwaken is eigenlijk niks anders dan inzien dat de mind het toneelstuk en de rollen die daarin gespeeld worden heel serieus neemt; dat het denken je doet geloven dat dat toneelstuk de werkelijkheid is. Ontwaken houdt in dat de identificatie, het geloof in de rollen eruit valt en dat het toneelstuk van een drama verandert in een komedie, omdat je inziet dat het niet de werkelijkheid is. Jij bent de werkelijkheid die naar de (soms tragi-)komedie kijkt. En naar een ego-mind die je probeert te doen geloven dat jij hem bent. Hoe kan dat nou niet grappig zijn?  © Ludo de Jongh

Levenswater

304 Wonderlijk waterZo voor de hand liggend en toch zo gemakkelijk te missen.  

Zoals een vis rondzwemt in het water, zo bewegen wij ons voort in het leven. En zoals het water overal in de oceaan – of een rivier, een meer – nat en vloeibaar is, zo is het leven altijd hier en nu, geen toekomst, geen verleden. Water is tien meter terug of honderd kilometer verderop ook niet anders dan het is op de plek waar de vis zich op dat moment bevindt. De vis beweegt zich voort maar bevindt zich altijd en overal in hetzelfde water. Wij bewegen ons voort in het leven maar bevinden ons altijd in onze eigen directe ervaring, in datgene wat we in het hier en nu tegenkomen.

We zijn misschien spreekwoordelijke haaien tegengekomen, rotsformaties waar we niet langs konden, hebben wellicht heftige stromingen meegemaakt, maar we hebben altijd alleen te maken (gehad) met de eenvoud van dit moment. Verderop, naarmate we verder zwemmen, komen we zonder twijfel nog steeds van alles tegen, maar we bevinden ons altijd in het water van het leven. Je kunt er niet los van komen en dat hoeft ook niet. Je kunt je er alleen los van voelen, maar je kunt er niet los van zijn.

De vis kan natuurlijk uit het water springen, de lucht in, of het land op. Die kan zich afscheiden van het water, alhoewel hij natuurlijk zelf ook voornamelijk uit water bestaat (net zoals mensen trouwens). Het zal echter niet lang duren voordat de vis er weer naar verlangt één te worden met het water. Terwijl hij zich als afgescheiden ervaart, kan de herkenning komen dat hij in het water thuishoort. Hij kan het water zien waar hij zojuist uit ontsnapt is. De mens kan zich ook los voelen van het leven, van zichzelf. In dat los-voelen kan hij ervaren dat er iets niet klopt, dat hij zich niet helemaal thuis voelt.

Zoals de vis kan zoeken in de lucht, op het land, zo kan de mens zoeken in ‘de wereld’. Maar de enige ‘plek’ waar je jezelf kunt vinden, is waar je altijd al geweest bent, namelijk in het hier en nu, in datgene waaruit het leven bestaat. De vis verdwijnt in het water, gaat erin op, wanneer hij er terug in duikt. De mens kan opgaan in het hier en nu, in de directe ervaring van het leven, ermee samenvallen. Zien dat je samenvalt met het leven, en dat je in feite altijd al samenviel met het leven, is bevrijding. Het leven is één geheel waar geen ontsnappen aan is, alleen schijnbaar, wanneer je in je hoofd zit. Dan lijk je even uit het water te zijn.

De vis vraagt zich niet af wat water is; hij is er één mee. Totdat hij het water verlaat en weer bewust kan ervaren hoe het is om één te worden met het water. De mens – de baby tenminste – vraagt zich ook niet af wat leven is, totdat er – al heel jong – een besef ontstaat van een afgescheidenheid, oftewel een ik-gedachte. Dat besef, aangevuld met jarenlange conditionering waardoor het gevoel van afgescheidenheid alleen maar sterker wordt, maakt dat we ons los ervaren van de wereld, los van anderen om ons heen, en in de basis ook los van het leven. Je zou kunnen zeggen dat we het water verlaten en op het land en in de lucht gaan zoeken naar geluk en vervulling; naar onszelf eigenlijk. Dat zoeken houdt op als de realisatie begint door te dringen dat we niet los kunnen zijn van het leven; dat het leven de essentie is van wat ik ben.

Wat is leven? Leven is Zijn. Leven is aanwezigheid, hier, nu, dit. Het bestaat niet uit gedachten, herinneringen, het is geen verhaal, alhoewel dat er allemaal in plaatsvindt. Leven gaat in essentie niet over woorden. Daarom misschien dat aanwezigheid (presence) ook wel ‘tegenwoordigheid’ genoemd wordt: het gaat tegen de woorden in, staat haaks op woorden, is niet te vatten in een verhaal.

Wat is hier nu? Waar je ook bent, wat je ook aan het doen bent, met wie je ook bent: je bevindt je in een ruimte. Of dat nu een open of gesloten ruimte is, maakt niet uit. Op elk moment in je leven bevind je je in een ruimte, is er ruimte om je heen. Die ruimte zelf is stil, alhoewel er natuurlijk geluiden in op klinken van tijd tot tijd. De ruimte beweegt zelf niet, alhoewel alle bewegingen erin plaatsvinden. Die stille, onverstoorbare en toch dynamische ruimte is overal exact hetzelfde, net zoals het water overal in de oceanen, meren en rivieren exact hetzelfde is. Die stilte of ruimte – we kunnen het ook bewustzijn, God, waarnemendheid, of hoe je maar wilt noemen – ís (het) leven, ís de essentie van leven.

De stille, ruimtelijke aanwezigheid is altijd bij je, hangt altijd om je heen. Als ik hier ‘je’ zeg, bedoel ik overigens jij als lichaam-en-geest. Je loopt rond in de ruimte, zonder werkelijk ergens heen te gaan want overal is diezelfde aanwezigheid, stil, open, vrij. De vis zwemt rond zonder ergens heen te gaan want overal is er datzelfde water, vochtig en vloeibaar.

Er is voor de vis een rechtstreeksheid, een intimiteit met het water. Hij maakt er voortdurend contact mee. Of zoals eerder gezegd, is er één mee. Wij zijn voortdurend één met het leven, of we het nou door hebben of niet. En de meesten van ons hebben het – een tijdlang in ieder geval – niet door. Ikzelf heb me zo’n 25 jaar lang afgescheiden gevoeld van geluk, vervulling, van mezelf, van het leven. Ik zocht naar al die dingen en meer in de wereld, in de toekomst, in het verleden, en raakte altijd teleurgesteld omdat ‘het’ daar niet te vinden is. Er is van alles te vinden in de buitenwereld, en in de tijd, maar geen geluk, geen vervulling, niet mezelf en dus ook niet het leven. De enige ‘plaats’ waar ‘dat’ te vinden is, is deze plaatsloze ruimte, deze stille aanwezigheid waar we altijd en overal direct contact mee maken, één mee zijn.

Het water is verwelkomend voor de vis, raakt hem overal aan, dringt hem binnen. Zoals de stille ruimte jou – als lichaam-en-geest – voortdurend welwillend, verwelkomend aanraakt, zo kun jij ook alles wat er in ‘je leven’ verschijnt liefdevol aanraken, verwelkomen. Je zou dan bijna kunnen zeggen dat je (het leven) een liefdesrelatie krijgt met jezelf (de persoon). Laat jezelf doordrongen raken van het leven, van Zijn, van stille aanwezigheid. Los erin op, duik erin. De vis plonst ook weer terug het water in, als hij zich realiseert dat dat zijn thuis is.  © Ludo de Jongh

Thuis is maar saai

302 ThuiskomenVerschenen in Bres Magazine, maart 2017

Soms moet je jezelf verliezen om jezelf opnieuw te vinden. Soms moet je ver van huis zijn om te waarderen wat je thuis hebt. En ook moet je soms door duisternis heen om bij het licht uit te komen. Allemaal clichés, waar je verder niks aan hebt, totdat je in een situatie zit waarin je de waarheid van zo’n cliché inziet en er wellicht wel iets mee kunt.

In de afgelopen – pakweg – veertien jaar heb ik gezocht, gevonden, ben ik kwijtgeraakt, heb ik iets nieuws gevonden en weer verloren. Keer op keer ben ik teleurgesteld geraakt in mijn ‘spirituele’ zoektocht. Ik zet ‘spirituele’ tussen aanhalings-tekens omdat dat zo’n ruime term is en uiteindelijk al het zoeken te maken had met de vraag ‘wie ben ik?’ Nu kunnen we dat op zich wel als een spirituele vraag bestempelen, en een betere term kan ik ook niet vinden trouwens. Waar mijn zoeken begon met een verlangen naar een gezondere leefstijl, verplaatste mijn zoektocht zich meer van het lichaam naar de psyche en uiteindelijk naar ‘het spirituele’. Op alle vlakken raakte ik teleurgesteld, gedesillusioneerd. Mooi woord is dat. Ontdaan van je illusies, betekent het. Maar het gevoel wat ik keer op keer had, een gevoel dat ik er nog niet was, dat ik nog steeds niet wist wie ik was, voelde alles behalve het bevrijd zijn van illusies. In het begin was dat nog niet zo erg, omdat ik mezelf toen nog voorhield dat ik pas net begonnen was en er dus nog genoeg terreinen te verkennen waren om mezelf in te vinden. De afgelopen jaren heb ik echter steeds vaker het gevoel dat de zoektocht op zijn eind loopt. Ik ben me steeds meer gaan realiseren dat ik alles geprobeerd heb, alle wegen wel zo’n beetje bewandeld heb om tot zelfrealisatie te komen.

Een paar maanden geleden was het weer eens zover: ik voelde me compleet verloren, verdwaald en teleurgesteld in mijn zoektocht. Er verscheen een gevoel van diepe leegte, wanhoop en zinloosheid. Wat er in me omging, was dat ik jarenlang gezocht heb en vaak geloofde dat ik gevonden had, maar dat nu bleek dat ik helemaal niet gevonden had. Want als dat zo was, dan zou er toch wel innerlijke vrede, vrijheid, liefde, vreugde voelbaar zijn? Heb ik al die jaren geloofd in een non-dualistisch verhaaltje, in een leugen om mijn gemoed te sussen? Zijn de momenten dat ik die ‘non-duale’ werkelijkheid of Waarheid zelf ervaar ook maar bedacht misschien, houd ik het mezelf graag voor omdat ik graag wil dat het zo is in plaats van dat het echt mijn ervaring is? Deze vragen kwamen op en maakten me wanhopig, want dat zou betekenen dat ik mijn tijd en energie verspild heb voor niks, voor een nieuw soort geloof wat niet mijn eigen beleving is. Op zulke momenten blijft er uiteraard ook niks over van de periodes dat ik wel liefde, vrede, blijdschap ervaar; die worden dan niet herinnerd of in ieder geval buiten beschouwing gelaten.

Natuurlijk deed ik mijn best om ‘bij het gevoel te blijven’ en niet teveel de gedachten te volgen. Het gevoel leek op een koker of huls die rond het binnenste van mijn lijf geklemd zat, van onder naar boven, rond alle energiecentra in mijn lichaam. Alsof daarbinnen iets is wat naar buiten wil stromen maar op een koker van weerstand stuit. De ‘pijn’ die ik voel is de sensatie van dat botsen van de emotie tegen dat omhulsel van weerstand. Er was frustratie, woede, wanhoop. ‘Dit heeft met keuzes in je leven te maken, met je relaties met mensen, je had veel meer uit het leven kunnen halen’, vertelden de gedachten me. ‘Je zoektocht is voor niks geweest, zoveel jaren van je leven verspild voor niks, want je bent nog geen stap verder’, dat soort gedachten. Je kent ze misschien wel. Natuurlijk weet ik wel dat dat die saboteur is, het niet-bestaande afgescheiden zelf zoals dat in non-dualiteit genoemd wordt, het ego, maar op dat moment voelde het zo werkelijk aanwezig, niet te ontkennen of weg te krijgen. Ik lag drie uur wakker met dit gevoel, huilde, observeerde zo goed en zo kwaad als het ging en viel uiteindelijk in slaap. De volgende ochtend was het gevoel verdwenen. Waar was het naartoe? Is dat niet bijzonder, dat iets wat op een bepaald moment zo werkelijk aanwezig was of leek, er niet meer is, nergens meer te bespeuren is. Ik zocht in mijn lijf, maar er was geen onaangename sensatie meer aanwezig. Ook kwamen er geen gedachten meer op zoals de nacht tevoren. Ik kon weer helder denken.

Wie is het die zich zo verloren, verdwaald voelde? Waar is die ‘ik’ nu, datgene waar ik ‘ik’ tegen zeg/zei? Niet te vinden. Tuurlijk niet, omdat het een fictief iets is, zonder enig werkelijk bestaan. De illusie is echter wel zo krachtig dat het in zo’n ego-episode geen zin heeft om het ‘bestaan’ ervan mentaal te ontkennen. Ik moet ineens denken aan een quote uit de film Fight Club, waarin de hoofdpersoon het gevoel beschrijft na een gevecht: “Nothing was solved when the fight was over, but nothing mattered. We all felt saved.” Na zo’n episode of zelfs na zo’n jarenlange periode van zoeken kan er een diep besef zijn dat er eigenlijk niks opgelost is, en dat er tegelijk niks meer toe doet, behalve dat gevoel van redding. Wellicht is dat ook de werkelijke betekenis van het woord ‘salvation’ in het christendom.

De teleurstelling met de spirituele zoektocht, het gevoel verslagen te zijn waar ik dacht iets te gaan winnen, is hard. Het is elke keer een ontnuchtering om te ervaren dat spirituele inzichten concreet niks veranderd hebben in ‘mijn leven’. Ik ben er niet per se een beter mens door geworden. Ik ben er niet rijker door geworden, heb er niet meer vrienden door gekregen. Ook voel ik me niet altijd vredig, verbonden, opgewekt. Toch raak ik steeds meer vertrouwd met dat gevoel van verslagenheid en zie ik de onvermijdelijkheid ervan in, evenals de onvermijdelijkheid van het spirituele pad dat ik moest gaan om op dit punt uit te komen. Het is nu meer en meer alsof ik weer de persoon ben die ik veertien jaar of nog langer geleden was, met eigenlijk alleen maar één simpel inzicht rijker: er is geen afgescheiden ‘ik’. Dat ervaar ik ook wel echt zo, maar dus niet altijd. En dat simpele inzicht heeft mijn leven misschien niet per se beter gemaakt – whatever that means – maar mijn beléving van het leven wel. Er is meer dankbaarheid, tevredenheid en simpelweg vreugde om te Zijn.

Die periodes van verslagenheid en teleurstelling laten me inzien dat de zoektocht eveneens iets van het ego was en is, en dat het tijd is om dat zoeken los te laten. Iedereen komt op een gegeven moment op een punt dat je weet dat je genoeg weet, genoeg gelezen hebt, genoeg leraren bezocht heb, genoeg filmpjes gekeken hebt, genoeg ervaringen opgedaan hebt. En dat je weet dat je het werkelijk ‘opgaan in jezelf’ – again, whatever that means – aan het uitstellen bent. Vroeg of laat ‘moet’ je alles vergeten wat je geleerd hebt en ervaren wat er overblijft wanneer je niet elke keer datgene wat er is – inclusief of met name gevoelens van verveling, leegte, nutteloosheid, verslagenheid, etcetera – op probeert te vullen met spirituele voeding. Zijn met dat wat is, voelt voor mij als thuiskomen na een lange reis die eigenlijk veel leuker was dan dat thuiskomen. Een vreemd gevoel, een beetje zoals ‘fernweh’, het tegenovergestelde van heimwee, waarbij je verlangt naar ‘ver weg’ in plaats van naar thuis. Het is als afkicken: beseffen dat er een verlangen is naar een spiritueel hoogtepunt, een ervaring, een spirituele bezigheid die nuttig voelt. Maar je komt thuis en je realiseert je dat het allemaal voorbij is en dat het allemaal dingen waren waar het ‘ik’, het afgescheiden zelf zich goed bij voelde. Alles wat voeding is voor de mind is interessant, thuis is het eigenlijk maar saai. Wie wil er nou saai gewoon Zijn?

Ik was altijd al op die plaatsloze plaats, in die ongebroken ruimte van niet-afgescheidenheid die we Bewustzijn kunnen noemen, het enige dat werkelijk de naam ‘ik’ verdient. Eigenlijk ben ik nooit weggeweest van die ‘plek’ waar ik ben en in feite is er helemaal niks veranderd. Om te realiseren – dat wil zeggen: werkelijk beleven – dat er ook niks hoeft te veranderen, te zien dat alles O.K. is zoals het is, dat is voor mij Thuiskomen; dat is Bevrijding. En daarvoor is die zoektocht heel nuttig, zelfs nodig geweest.  © Ludo de Jongh